Recensie

Whitney Biënnale toont de abstracte weergave van geweld

63 jonge kunstenaars laten een nieuw hoofdstuk van de Amerikaanse werkelijkheid zien. Hier zijn kunstwerken te zien over een land dat worstelt met zijn eigen identiteit.

Museumbezoekers bekijken het schilderij "Open Casket" van Dana Schutz (2016) op de Whitney Biënnale. Foto Alina Heineke/AP

Een performer in drag van het kunstenaarscollectief Puppies Puppies staat verkleed als Lady Liberty op het dakterras van het Whitney Museum in New York, zijn arm zwaar van de fakkel die hij omhoog houdt. Af en toe zakt zijn arm maar zijn blik blijft strak gericht op het echte Vrijheidsbeeld in de verte, het symbool voor vrijheid, democratie en het verwelkomen van immigranten. Aan de andere kant van het terras glanst het zwarte glas van de Trump Tower. De naam van de 45ste president van de Verenigde Staten wordt nergens expliciet genoemd op de Whitney Biënnale. Toch is hij overal aanwezig.

In een tijd vol van raciale spanningen, economische ongelijkheid en polariserende politiek laat de Whitney Biënnale aan de hand van het werk van 63 kunstenaars een nieuw hoofdstuk van de Amerikaanse werkelijkheid zien. Sinds de oprichting in 1932 geldt de Whitney Biënnale, die ooit de grote doorbraak voor kunstenaars als Georgia O’Keeffe, Jackson Pollock en Jeff Koons betekende, als blauwdruk van de Amerikaanse kunstwereld. Iedere twee jaar laat de tentoonstelling de beste jonge kunstenaars van het land zien.

White-ny

In de afgelopen jaren kreeg de biënnale de bijnaam White-ny, omdat er in vorige edities zo weinig zwarte en vrouwelijke kunstenaars te zien waren. Ronddwalend door de zalen van het prachtige nieuwe gebouw van het Whitney, wordt duidelijk dat de jonge curatoren Mia Locks en Christopher Y. Lew daar dit jaar gelukkig verandering in hebben gebracht. Het resultaat is een uiterst politieke biënnale. Hier zijn kunstwerken te zien die gaan over een land dat worstelt met zijn eigen identiteit, de identiteit van haar inwoners, van haar politiek, van haar toekomst en bestaansrecht als land van mogelijkheden en dromen.

In een kleine kamer toont het kunstenaarscollectief Postcommodity op alle vier de muren de haast hypnotiserende video A Very Long Line. Vanuit een auto filmden zij het kilometerslange hek dat langs de Amerikaans-Mexicaanse grens staat. Het hek belemmert letterlijk het zicht op de andere kant. Als kijker raak je zo gedesoriënteerd dat de veelbesproken grens lijkt te verdwijnen omdat je geen idee hebt in welk land je eigenlijk staat.

In de video The Island van Tuan Andrew Nguyen gebeurt iets soortgelijks; er wordt een duizelingwekkende combinatie van feiten en fantasie aan elkaar geregen over het kleine Maleisische eiland Pulau Bidong, waar duizenden Vietnamese vluchtelingen in de jaren zeventig en tachtig op een beter leven wachten. Op een subtiele manier verwerkt Nguyen cijfers over de huidige vluchtelingencrisis, de opvang van vluchtelingen in Amerika en de oorlog in Syrië.

Controversiële werken

Veel jonge kunstenaars gebruiken het klassieke medium van de schilderkunst om belangrijke thema’s als racisme en geweld een plek te geven binnen de canon van de kunstgeschiedenis. Een van de meest controversiële werken van deze biënnale is het doek Open Casket van Dana Schutz. Tientallen schrijvers en kunstenaars hebben in een open brief zelfs gevraagd of het schilderij verwijderd kan worden. Het abstracte werk is gebaseerd op een foto van Emmett Till, die in 1955 op 14-jarige leeftijd op gewelddadige wijze vermoord werd in Mississippi omdat hij een witte vrouw lastig gevallen zou hebben. Vorig jaar gaf de vrouw toe het hele verhaal verzonnen te hebben. Na vrijspraak van de twee moordenaars werd de foto van de toegetakelde Till een katalysator voor de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. De kritiek op Schutz is dat zij zich, als witte vrouw, dit historisch beladen beeld niet had mogen toe-eigenen. De gruwelijkheid van Tills dood gaat in dit schilderij bovendien verloren omdat Schutz met felle penseelstreken de jongen een masker van abstractie geeft.

Een ander controversieel werk rondom het thema geweld is de virtual-realityfilm Real Violence van Jordan Wolfson. Met een VR-bril op weet Wolfson het voltallige publiek te traumatiseren door een jongen in beeld te brengen die door een andere jongen langzaam wordt doodgeslagen met een honkbalknuppel, terwijl op de achtergrond een Hebreeuws gebed klinkt. Het werk zou kritiek moeten leveren op de normalisering van geweld en de aanwezigheid van een oneindige stroom aan gewelddadige beelden online. Helaas gaat de shockart zijn doel geheel voorbij en verwordt het tot een gruwelijke en kitscherige truc.

Installatie met werk van Henry Taylor en Deana Lawson op de Whitney Biënnale. Foto Matthew Carasella

Groot is het contrast met de schilderijen in de ruimte ernaast, die zich ook verhouden tot de representatie van geweld. In het schilderij met de wrange titel THE TIMES THAY AINT A CHANGING, FAST ENOUGH! portretteert Henry Taylor de moord, die live te volgen was op Facebook, op Philando Castile door een politieagent. De schilderijen van Taylor en de ongemakkelijke familiefoto’s van Deana Lawson die ernaast hangen, laten een blijvende indruk achter. Omdat Taylor in staat is om een moment uit het ruwe filmmateriaal te kiezen, dat genadeloos vast te leggen en daarmee politiegeweld en racisme aan te kaarten. Daarin verschilt zijn werk van de film van Wolfson en het schilderij van Schutz: die lijken bovenal een oefening in het wegkijken en abstraheren van de werkelijkheid.

Ondertussen vinden er in de straten van New York dagelijks demonstraties plaats tegen het beleid van Trump, die als eerste president in de geschiedenis de subsidies voor de kunst en geesteswetenschappen volledig wil afschaffen. Hopelijk is Lady Liberty op het dakterras in staat om de fakkel hoog te houden. Want het bevragen en weergeven van de soms pijnlijke werkelijkheid in de kunst is juist nu zo hard nodig.

Whitney Biënnale.
T/m 11 juni in het Whitney Museum of American Art, New York.
Inl: whitney.org