Weg met de plofklas, toch?

Onderwijs

De vakbond Leraren in Actie pleit voor kleinere klassen. Maar levert dat ook beter onderwijs op? Dat kan zeker, maar dat hoeft niet.

In kleinere klassen halen kinderen hogere cijfers. Foto Getty

Op het Plein in Den Haag stond maandag plots een gebouwtje waar een klas met leerlingen les kreeg. Het bleek om een actie van de vakbond Leraren in Actie (LIA) te gaan. De bond bood in de middag een petitie tegen overvolle klassen aan, aan de leden van de Tweede Kamer. Het verzoekschrift werd door 45.000 mensen getekend.

LIA wenst dat volgend schooljaar in het basis- en voortgezet onderwijs nog maar 28 leerlingen in een klas zitten. En de jaren daarna moet dat teruglopen naar 24. Volgens de vakbond gaat de kwaliteit van het onderwijs achteruit met zogenoemde plofklassen. Leerkrachten kunnen kinderen niet genoeg persoonlijke aandacht geven en in grote klassen is ook te veel afleiding voor scholieren.

1 Hoe groot zijn de klassen op scholen eigenlijk?

Demissionair staatssecretaris Sander Dekker (VVD, Onderwijs) stuurde in december een brief naar de Kamer waarin hij schreef dat er in 2016 in het basisonderwijs gemiddeld 23,4 leerlingen in een klas zitten. Ook schreef hij dat ruim 66 procent van de basisscholen een gemiddelde groepsgrootte heeft tussen de 20 en 25 leerlingen. Minder dan 1 procent van de basisscholen heeft een gemiddelde groepsgrootte van 30 leerlingen of meer.

Op middelbare scholen is het lastiger te meten hoeveel leerlingen er in een klas zitten. Bij het ene vak schuiven meer leerlingen aan dan bij andere – zo zijn de klassen waar de vakken Frans en Spaans worden gegeven kleiner dan bij de vakken Engels en wiskunde. Dekker schreef dat de gemiddelde groepsgrootte in verreweg de meeste gevallen kleiner is dan dertig leerlingen. In het praktijkonderwijs zijn de klassen het kleinst en hanteren de meeste scholen groepen van tien tot vijftien leerlingen.

2 Hebben de ondertekenaars van de petitie gelijk; leiden kleine klassen tot beter onderwijs?

Uit verschillende studies blijkt dat leerlingen in kleine klassen hogere cijfers halen en zelfverzekerder zijn. Kinderen leren het meest van een-op-eenonderwijs, zegt Paul Kirschner, universiteitshoogleraar aan de Open Universiteit. Dus veel persoonlijke begeleiding en expliciete instructies van een leerkracht leveren het meest op. „En je kunt stellen dat dit in een kleine klas beter gaat dan in een grote klas.”

3 Maar wanneer is de klas klein genoeg?

Dat is onbekend. De vakbond streeft naar 24 kinderen. Maar of een reductie van 5 leerlingen het gewenste effect heeft, weet Kirschner niet. „Kun je met 24 scholieren wél veel meer persoonlijk onderwijs bieden dan in een klas van dertig?” Wellicht, zegt Kirschner. Maar dat hangt van de docent af. Het zal in ieder geval wel tot een vermindering van de werkdruk leiden.

4 Als er kleinere klassen komen, zijn er ook meer leerkrachten nodig. Zijn die er?

Nee. Zowel in het basis- als in het voortgezet onderwijs is een tekort aan leerkrachten en docenten. Dus dat is een probleem. Plots veel mensen aantrekken is niet makkelijk. De kwaliteit van de leerkracht is bovendien ook van belang. Een middelmatige docent voor een kleine klas levert alsnog niet de beste onderwijsresultaten op.