Column

Wat nu? Werkgevers die radicaliseren?

Je ziet het steeds vaker. Radicaliserende werkgevers. Ze verwerpen de bestaande orde en ze propageren verreikende veranderingen. Disruptie, noemen economen dat als het gaat om producten en diensten. Denk aan Airbnb en Uber. Maar hoe heten werkgevers die de bestaande sociale verhoudingen en het arbeidsrecht verwerpen? Rechtse rakkers? Rebellen? Dat klinkt zo ongepast als aanduiding voor mensen die de mainstream economie vertegenwoordigen.

Toch lieten vier werkgeversvoorzitters uit de bouw en de industrie afgelopen week in De Telegraaf een sterk staaltje agitatie en propaganda zien. Zij draaiden de rollen om. Nu zijn zíj het die de vakbonden voor de laatste maal waarschuwen. Nu stellen zíj een ultimatum. De bonden moeten vóór Pasen akkoord gaan met ingrijpende wijzigingen in het ontslag- en arbeidsrecht, anders stappen de werkgevers naar de kabinetsinformateur. Dan regelen zij het wel in het regeerakkoord van de verwachte centrum-rechtse coalitie.

In het interview staan ronkende uitspraken die de indruk wekken dat Nederland een collectivistische georganiseerde arbeidsmarkt heeft, terwijl het juist in Europa een van de meest geflexibiliseerde is. En het oogt nogal tegenstrijdig dat werkgevers staan te springen om arbeidskrachten voor wie de banen „voor het oprapen” liggen, maar dat zij eerst willen regelen dat (nieuwe) werknemers soepel ontslagen kunnen worden.

Als het de bedoeling was om de vakbonden in de gordijnen te jagen, dan is dat zeker gelukt. Als het de bedoeling was om de bonden te confronteren met de nieuwe politieke realiteit, is de missie ook geslaagd. Maar de consequentie kan zijn dat met name bestuurders binnen de FNV die toch al weinig zien in sociaal-economisch overleg in Den Haag in hun scepsis worden bevestigd. En dus verbeteringen in loon en arbeidsomstandigheden rechtstreeks bij individuele bedrijven willen afdwingen. En die individuele ondernemer in een groeiende economie staat niet zo sterk. Hij wil zaken doen, geen gedonder met werknemers.

Nogal tegenstrijdig dat werkgevers staan te springen om arbeidskrachten, maar dat ze eerst een soepel ontslag willen regelen

De agitatie en propaganda roepen de vraag op wie de regie voert aan werkgeverskant in het sociaal-economisch overleg. Doorgaans is dat VNO-NCW, de werkgeversburcht. Niet de bedrijfstaklobby’s. Demissionair minister van Sociale Zaken Lodewijk Asscher (PvdA), wiens Wet werk en zekerheid de vier organisaties op de korrel nemen, vroeg zich na de ministerraad vrijdag af wanneer VNO-NCW de regie terug pakt.

Zijn verbazing is begrijpelijk. Twee weken geleden zei VNO-NCW-voorzitter Hans de Boer in Tros Kamerbreed dat hij van zijn bestuur en zijn grote leden de opdracht had om met de vakbeweging „in de formatietijd tot een heel goed sociaal pakket te komen” waarbij „alle burgers in heel Nederland het idee hebben: er wordt op ons gepast”. Dat klinkt toch wat anders dan het ultimatum van slikken of stikken van de bouw- en industriewerkgevers.

Het verschil in toon en inhoud kan onderhandelingsstrategie zijn, met Hans de Boer als verzoener. Het kan ook duiden op verdeeldheid in werkgeverskring over de mate van radicalisering. Daar gaf VNO-NCW namelijk nog een voorbeeld van. Drie weken geleden verzette De Boer zich in Het Financieele Dagblad tegen het „opwerpen van allerlei nieuwe vergaande beschermingsmaatregelen door de overheid” om ongevraagde biedingen, zoals op Unilever en AkzoNobel, af te houden. Vorige week stuurde VNO-NCW een brief aan kabinetsinformateur Edith Schipper om juist daarom te vragen. Om extra wettelijke maatregelen.

Lastig voor Schippers. Zij mag ’t uitzoeken. Wat willen de werkgevers eigenlijk? En wie is hun spreekbuis?

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.