Interview

‘Het moet niet altijd Klaas-en-Johannes blijven’

Johannes en Klaas Govaert (33) hebben een bijna identieke levensloop. Donderdag promoveren ze, allebei op darmkanker. Hoe twee jongens uit Dussen op dezelfde dag doctor in de heelkunde werden.

Hun huizen kunnen niet méér van elkaar verschillen. Een monumentaal pand in een oude-bomenbuurt in Utrecht-Oost (Johannes) en een nieuwbouwhuis aan een onaf vinex-plantsoen in Utrecht-West (Klaas). Maar verder is het ‘zoek de verschillen’ bij de tweeling-Govaert. Hun levensloop is identiek als hun opvallend lichtgrijze ogen – en de rest van hun fysiek. Beiden zijn chirurg in opleiding. En beiden promoveren deze week tot doctor in de heelkunde – met verschillende proefschriften, aan verschillende universiteiten, maar op dezelfde dag.

Hoe kunnen twee levens 33 jaar lang parallel verlopen?

Johannes Govaert is niet helemaal uitgeslapen op zijn vrije maandagochtend. Hij was laat thuis van zijn weekenddienst in het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) – aan het eind werd nog een kind met een blindedarmontsteking binnengebracht. Klaas Govaert oogt een dag later uitgerust. Hij werkt nagenoeg fulltime in het Utrechtse Diakonessenhuis, maar kan elke dinsdag compenseren.

Ze groeiden op, vertellen ze los van elkaar, op een oude boerderij in het Brabantse Dussen, de jongsten van zes kinderen in een katholiek gezin. Hun vader was geen boer, hij was directeur van een bedrijf dat cabines voor kranen fabriceert, maar nam het hobbyboeren wel serieus. De komst van de tweeling was een verrassing. Johannes: „Mijn moeder dacht dat ze één kind zou krijgen. Op een gegeven moment zei ze: het zijn er twee. Nee, zei de arts, één kind. Maar toen mijn broer werd geboren kwam ik er achteraan.”

Klaas: „Ze hadden maar voor één kind namen bedacht: Johannes Arthur. Toen moesten ze er nog twee verzinnen. We zijn geboren in het Nicolaasziekenhuis, op 15 augustus, Maria Hemelvaart. Dus werd het Klaas Maria. Ik was de eerste, maar om Johannes niet helemaal het ‘tweede-gevoel’ te geven gaven ze mij de tweede naam.”

Johannes: „Mijn vader was heel gelukkig met een tweeling. Omdat wij nakomertjes waren, wat hij zelf ook was. Hij zei: dan kunnen ze altijd met elkaar spelen. Zo is het ook gegaan.”

Het was een vrije jeugd, en een jeugd van aanpakken. De boerderij had een boomgaard met fruitbomen, tien geiten en tien schapen. Hun moeder, gestopt met haar werk als lerares, maakte zelf kaas en brood. In het weekend gingen ook de kinderen aan de slag. Johannes: „Stallen uitmesten, dieren eten geven, appelbomen snoeien.” Er was geen centrale verwarming. „In de winter moest je zelf de kachels aanmaken. Dat was een taakje voor ons.” Er werd gebeden voor het eten – mogelijk ook om de kinderen stil te krijgen. Rond hun twaalfde werden ze misdienaar.

Na de basisschool volgde het atheneum in Raamsdonkveer. Ze waren de enigen uit hun dorp, fietsten elke dag samen de 12,5 kilometer heen en terug. Johannes: „Klaas haalde de beste cijfers, ik deed alles altijd een beetje op het laatste moment.” Na school waren ze 17 – te jong om te studeren, vonden ze zelf. En ze hadden nog nooit gevlogen. Samen reisden ze acht maanden door Australië. Eigenlijk was de bedoeling dat ze apart zouden rondreizen, vertelt Johannes. „Mijn ouders zeiden: het is misschien goed dat jullie allebei iets anders gaan doen. Ik had ook een weddenschap met een vriendje dat we ieder een andere kant op zouden gaan. Krat bier verloren.” Waarom ze toch bij elkaar bleven? „We vonden het toch leuker om dingen te delen.”

Vrijwilligerswerk

De vraag hoe ze ertoe kwamen geneeskunde te gaan doen, leidt aan beide zijden van Utrecht tot enig gepeins. Ze herinneren zich dat ze ook aan diergeneeskunde hebben gedacht. Johannes: „We kwamen door de boerderij vaak met de veearts in aanraking. Maar we vonden mensen iets interessanter. Mijn tweelingbroer had daar een sterker beeld van dan ik.” Klaas: „Bij dieren mis je het sociale aspect, dan moet je met de baasjes praten. Het was voor mijn broertje denk ik dezelfde overweging. We lijken op elkaar van buiten, dat zal van binnen ook zo zijn.” Verder zat het vak in de familie; hun oudste zus had ook geneeskunde gedaan, hun broer was drie keer uitgeloot.

Wegens enthousiaste verhalen van anderen kozen ze voor Leiden. En ze werden ingeloot, toeval of niet. Klaas: „Het jaar ervoor was er een relletje geweest met een andere eeneiige tweeling van wie de een was aangenomen en de ander niet. Die hebben er een zaak van gemaakt wegens emotioneel leed. Wij weten niet of dat heeft meegespeeld.”

In Leiden waren ze lid van dezelfde studentenvereniging, zaten in dezelfde jaarclub en hockeyden in hetzelfde team. Ze woonden in verschillende huizen. Soms belden ze elkaar wakker voor college, vaak studeerden ze samen met anderen in de bibliotheek. Ondanks bijbaantjes, vrijwilligerswerk en feesten studeerden ze in vier jaar af.

Klaas besloot een jaar onderzoek te gaan doen in Amerika. En Johannes deed dat ook, al lonkte een alternatief: president worden van Minerva. Johannes: „Klaas was de gedoodverfde president, hij had zijn zaakjes op orde, maar hij wilde echt niet. Ik zou ook gevraagd worden. Mij trok het eigenlijk wel aan. Uiteindelijk vond ik het leuker om me breder te oriënteren.”

Tropen- of legerarts

Johannes vertrok naar de westkust (Stanford), Klaas naar de oostkust (Columbia). Door toeval deden ze gelijksoortig onderzoek aan muizen. Johannes kwam erachter dat hij daar niets aan vond. „Veel te kleinschalig, jaren bezig zijn om een klein dingetje uit te zoeken.” Klaas lag het wel. „Mijn interesse voor onderzoek is daar gewekt.”

Het kan toeval zijn, of aan de vraagstelling liggen, maar het verhaal van Johannes bevat iets meer zijpaden. Het bedrijfsleven trok hem ook aan, daarom deed hij na zijn co-schappen een stage bij McKinsey. Toen hij toch koos voor geneeskunde, overwoog hij enige tijd naar de tropen te gaan of legerarts te worden. „Ik wilde iets van de wereld zien.” Hij legt wat meer nadruk op het vrijwilligerswerk dat hij heeft gedaan, zoals op zaterdagochtenden met buurtkinderen in Amsterdam-Oost. Hij stopte daarmee toen hij, niet lang na zijn broer, een vaste relatie kreeg – zijn vriendin wilde hem ook weleens zien. Vorig jaar werkte hij twee weken met bootvluchtelingen op Lesbos.

Klaas besloot als eerste verder te gaan in onderzoek en chirurgie. En hij besloot dat níét in Leiden te doen. „Johannes had al een lijntje naar een chirurg in Leiden. Je moet op een gegeven moment ook een beetje los van elkaar worden gezien. Het moet niet altijd Klaas-en-Johannes blijven. Ik heb een professor aangesproken die in Utrecht zat en een experimenteel lab had.” Op aanraden van zijn opleiders in Gouda besloot Johannes wat later ook te gaan promoveren.

Compromis

Het idee om te promoveren op dezelfde dag kwam van Johannes: „Op een gegeven moment zei mijn tweelingbroer: ik ga dan en dan promoveren. Ik zei: dan zorg ik dat ik ook klaar ben.”

Klaas: „Toen hebben we het afgestemd. Ik had iets eerder klaar kunnen zijn. Hij had eigenlijk nog iets langer nodig. Het compromis was een datum ertussenin. Allebei een beetje water bij de wijn.”

Johannes: „Ik zei: doe het in juni, juli, dan heb ik ook tijd genoeg.” Klaas maakte er toch begin april van. Werd „het irritatielevel” hier wellicht even bereikt, ruzie werd het niet. „Wij kunnen dingen snel uitpraten. We hebben niet veel woorden nodig.”

Klaas: „Het was wel zwaarder voor Johannes om alles op tijd af te ronden.”

Johannes promoveert donderdagochtend in Leiden op de verhouding tussen kwaliteit en kosten in de darmkankerchirurgie. Klaas donderdagmiddag in Utrecht op effecten van het opereren van leveruitzaaiingen bij dikkedarmkanker. De genodigden worden per huurbus vervoerd. En ’s avonds: één groot feest. Klaas: „Dat we het na 33 jaar op dezelfde dag weten te bewerkstelligen laat toch zien dat je een goede band hebt met elkaar.”

Er zijn nog wel een paar lichte verschillen. Klaas draagt een trouwring, Johannes niet. Klaas’ vrouw wordt maag-darm-leverarts, Johannes’ verloofde plastisch chirurg. Klaas is sinds drie jaar vader, Johannes wordt dat binnenkort. Maar hun huizen zijn allebei huurhuizen. Een tijdelijk onderkomen, tot zij en hun vrouwen weten waar ze landen.