‘Het gaat mij puur om de kleur en het materiaal’

Interview Tadaaki Kuwayama (1932) stamt uit de lichting minimalistische kunstenaars die in de jaren zestig de kunstwereld bestormden. „Wij zijn de volgende generatie, dacht ik. Wij moeten verder gaan.”

Tadaaki Kuwayama was goed bevriend met Donald Judd en Frank Stella, en exposeerde in 1966 samen met hen in het Stedelijk Museum. Foto Sandra Smallenburg

De ruimte van galerie Willem Baars Projects lijkt dezer dagen nog het meest op een stiltekapel. De muren zijn spierwit, de vloeren glimmend gepoetst. Aan de wanden hangen twaalf monochrome, vierkante objecten, twintig bij twintig centimeter klein en vijf centimeter dik, die op miraculeuze wijze van kleur verschieten wanneer je erlangs loopt. Wat van een afstand goudgeel lijkt, kleurt bij nadere beschouwing groen of roze. De werken fonkelen als de glas-in-loodramen van een kerk, alsof het zonlicht dwars door de muren schijnt.

Maar met religie heeft zijn werk niets te maken, benadrukt de Japans-Amerikaanse kunstenaar Tadaaki Kuwayama (1932). „Het gaat mij puur om de kleur en om het materiaal. Andere connotaties zijn overbodig. De relatie met de architectuur is voor mij ook niet van belang. Iedere ruimte is geschikt, groot of klein. Mijn kunstwerken hebben geen grenzen. Ze kunnen uitdijen en inkrimpen. In Japanse musea heb ik enorme zalen gevuld met honderden van deze kleine werkjes.”

Tadaaki Kuwayama, Yellow and Blue, 1996-2013. Metallic verf op bakeliet met aluminium. 240 x 18 x 5 cm, 16 stuks.

Foto Arend Velsink

Tadaaki Kuwayama, Yellow and Blue, 1996-2013. Metallic verf op bakeliet met aluminium. 240 x 18 x 5 cm, 16 stuks. Foto Arend Velsink.

Een museumzaal vol Kuwayama’s moet een kostbare kwestie zijn. De kunstenaar maakt zijn kunst van prijzige materialen als titanium en bakeliet. De titanium werken, bij Willem Baars te koop voor 80.000 euro per zesluik, laat hij fabriceren in fabrieken. „Dat klinkt eenvoudig, maar dat is het niet. De fabrieksarbeiders hebben vaak geen idee wat deze kunstwerken behelzen. Ik zeg altijd: doe extreem voorzichtig. Het oppervlak moet perfect zijn. Titanium is een metaal, er kunnen krassen op komen. Dan is het kunstwerk geruïneerd. Eén puntje in het oppervlak kan al afleiden en de balans verstoren.”

Kuwayama stamt uit de generatie van abstracte, minimalistische kunstenaars die in de jaren zestig vanuit New York de internationale kunstwereld bestormden. Hij was goed bevriend met Donald Judd en Frank Stella, en exposeerde in 1966 samen met hen in het Stedelijk Museum, op de baanbrekende tentoonstelling Vormen van de kleur. Kuwayama herinnert zich nog goed hoe Stedelijk-conservator Wim Beeren hem een halve eeuw geleden in zijn New Yorkse atelier opzocht en de werken uitkoos. „Maar de opening heb ik niet meegemaakt. Geld voor een vliegticket had ik niet, in die tijd.”

Hij wist helemaal niets van Amerika, vertelt Kuwayama, toen hij er in 1958 als student naartoe emigreerde. „Ik was zo teleurgesteld in de Japanse kunstwereld. Daar werkten de kunstenaars altijd maar samen in groepstentoonstellingen. Ik wilde onafhankelijk zijn en mijn eigen stijl ontwikkelen. Individualiteit is belangrijk voor het creëren van kunst.”

Van de naam Jackson Pollock had hij wel eens gehoord, maar de werken van de Amerikaanse abstract-expressionisten zag Kuwayama pas voor het eerst toen hij aankwam in New York. „Mijn school, de Arts Students League, was om de hoek van het MoMA. Daar ontmoette ik het werk van de nieuwste generatie: Barnett Newman, Mark Rothko en Sam Francis. Ik was echt geschokt door de enorme schaal van hun werken. Maar na een jaar raakte ik gewend aan die Amerikaanse stijl en liet ik me er toch door beïnvloeden. Er sprak een enorme vrijheid uit hun werk. Wij zijn de volgende generatie, dacht ik, wij moeten hierop verder gaan.”

Tadaaki Kuwayama, Titanium, pink and yellow 2013 20 x 20 x 5 cm, 6 stuks.Foto Arend Velsink

Tadaaki Kuwayama, Titanium, pink and yellow 2013 20 x 20 x 5 cm, 6 stuks. Foto Arend Velsink.

In 1961 werd Kuwayama ontdekt door galeriehouder Richard Bellamy, die een jaar eerder zijn Green Gallery had geopend in uptown Manhattan. „Dat was het begin van mijn leven”, zegt de kunstenaar nu. Op zijn eerste solotentoonstelling exposeerde hij pure monochrome doeken, gemaakt van rood en zwart pigment, zodat er geen verfstrook meer zichtbaar was. Daarmee liep hij vooruit op de geometrisch-abstracte werken van Donald Judd, die zich later zou ontpoppen als het boegbeeld van Minimal Art. „Judd was toen nog een kunstcriticus”, zegt Kuwayama, „maar hij hing er wel altijd rond. Zo raakten we bevriend. Na twee jaar ging hij ook in de Green Gallery exposeren.”

Maar een minimalist zou Kuwayama zichzelf nooit noemen. „Ik sprak in die tijd nog geen Engels. Dus ik praatte niet over kunst. Ik ging gewoon mijn eigen weg. Ik werd vaak uitgenodigd om mee te doen aan tentoonstellingen over conceptuele en minimalistische kunst. Daarom dachten mensen dat ik bij die stromingen hoorde. Maar ik behoor tot geen enkele groep. Ik ben een individu.”

Ook pop-art, de bekendste stroming uit die vroege jaren zestig, maakte Kuwayama vanaf de zijlijn mee. „Andy Warhol kende ik niet persoonlijk. Maar we kwamen allebei geregeld in dezelfde bar: Max’s Kansas City. Daar had ik roze kunstwerken gemaakt voor de zogenaamde ‘Pink Room’. Warhol hield in die ruimte altijd tot diep in de nacht feestjes. Ik ging daar nooit heen, want ik had twee jonge kinderen. Mijn vrouw en ik aten er altijd eerder op de avond en gingen dan op tijd naar bed. Maar Warhol werd dus iedere nacht omringd door mijn kunstwerken.”