Recensie

Hedendaagse bloemschilderijen en lente-gekte in Vijfhuizen

Kunstfort bij Vijfhuizen presenteert werk van de in 1993 overleden ‘wilde’ schilder Erik Andriesse naast dat van het nieuwe talent Tamar Harpaz.

Erik Andriesse, Gele Amaryllis, 1992.

Plotseling was daar Erik Andriesse. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw veroverde eenling Andriesse de Nederlandse kunstwereld met schilderijen en tekeningen van wild bloeiende amaryllissen, irissen, zonnebloemen, dierenskeletten en doodshoofden. Hoe saai, hoe symbolisch kon je het krijgen? En toch: hoe mooi, hoe meeslepend en hedendaags verbeeld. Wij allemaal – gewend aan de strengste abstracte kunst – stonden voor Andriesse in de rij en voerden heftige discussies over zijn werk. Toenmalig Stedelijk Museum-directeur Wim Beeren bracht de kunstenaar, het Van Gogh Museum volgde. Een generatie van jonge schilders stond op. Zij durfden, in navolging van ‘wilde’ schilder Andriesse, de kwast weer ter hand te nemen en gewoon figuratief te schilderen.

Andriesse stierf helaas piepjong – in 1993 op 35-jarige leeftijd. Zijn werk is verzameld door bijna alle musea in Nederland, maar wordt niet zo vaak meer getoond. Daarom is het een verrassing om in Kunstfort bij Vijfhuizen, in de oude Genieloods, nu zo’n goed ingerichte tentoonstelling van Andriesse te vinden. Het is de eerste serieuze expositie die Zippora Elders, artistiek directeur van Kunstfort sinds 2016, maakt. Elders koos voor de beproefde formule van de sandwich: in de Genieloods onderaan de Liniedijk het klassieke werk van Andriesse. Verderop, in de betonnen ruimten van het fort, is ruimte voor nieuw talent.

Installatie van Tamar Harpaz.

Foto Sander Tiedema

Installatie van Tamar Harpaz. Foto Sander Tiedema

Dat nieuwe talent is Tamar Harpaz (Israël, 1979), in 2016 afgestudeerd van de Amsterdamse Rijksakademie van beeldende kunsten. In de poterne (een langvormig middenstuk in het fort) en drie achterliggende ruimtes heeft Harpaz een compleet ‘orkest’ geënsceneerd. Dit ‘orkest’ bestaat uit gewone objecten: een neongroene lichtgevende emmer, trommels, tl-balken, een kopje, een schelp, ijzeren veren. De voorwerpen vormen een abstracte totaal-installatie en worden gebruikt als akoestisch omhulsel voor elektronische geluiden.

Er klinkt gekraak, bekkens rammelen, sleutels rinkelen, en dan ineens zoemt er een nachtelijk krekelkoor. Voorzichtig laveer je langs de uitstekend uitgelichte, kleine voorwerpen. Op je gehoor vind je het geluid dat in deze militaire omgeving zo wonderlijk goed past. Harpaz’ installatie heet March Madness (‘lente-gekte’), en wekt die gekte – het krijgsbedrijf in allerlei tijden – overtuigend tot leven.