Wat de vele verwijzingen in ‘De Materie’ betekenen

Klassiek

Het World Minimal Music Festival opent woensdag met ‘De Materie’ van Louis Andriessen. Dit magnum opus zit vol complexe getalsverhoudingen en muzikale verwijzingen. Enige kennis kan de luisterervaring verrijken.

Illustraties Hisko Hulsing

De materie bepaalt de geest, en niet andersom, zegt Marx, en Louis Andriessen zegt het hem instemmend na. In zijn magnum opus De Materie (1985-1988) geeft Andriessen zijn eigenzinnige visie op de Nederlandse geschiedenis en onze omgang met de stoffelijke wereld. Daarvoor kiest hij heel diverse bronteksten: scheepsbouwhandleiding, erotische mystiek, atoomtheorie, Tachtigerslyriek.

De vorm van De Materie heeft verdacht veel weg van een monumentale vierdelige symfonie – wat opmerkelijk is voor Notenkraker Andriessen, die nogal een hekel heeft aan de negentiende-eeuwse symfonische traditie. Er treden bovendien verschillende zingende personages in op, maar een echte opera is het ook niet. De New York Times noemde het stuk „een anti-symfonische ultra-symfonie”.

De Materie klinkt exuberant, drammerig, swingend, overdadig, etherisch en verstild. Onder die kameleontische oppervlakte schuilt een uitgekiend complex van getalsverhoudingen en muzikale verwijzingen (naar Bach, de kathedraal van Reims, boogiewoogie). Het is niet de bedoeling dat je dat als luisteraar allemaal hoort. Maar enige kennis kan de luisterervaring wel verrijken. Van elk van de vier delen lichten we een tipje van de sluier.

  1. Deel 1

    Het begin van De Materie is moeilijk te missen: 144 hamerslagen daveren door de zaal, alsof er een enorme nagel ergens ingeramd moet worden. Dat is ook zo, want even later volgt een gedetailleerde tekst over scheepsbouw uit de Gouden Eeuw. Bovendien gaat dit openingsdeel over revolutie, zowel politiek (een fragment uit het Plakkaat van Verlatinghe, waarmee de Nederlanden zich in 1581 losmaakten van de Spaanse kroon) als wetenschappelijk (de zeventiende-eeuwse Leidse student Gorlaeus ontvouwt zijn atoomtheorie).

    Andriessen zou Andriessen niet zijn als die 144 klappen zomaar uit de lucht kwamen vallen. Er waart een spook door De Materie, en zijn naam is J.S. Bach. Verwijzingen naar de Duitse componist steken voortdurend de kop op. Andriessen baseerde het eerste deel zelfs volledig op de getalsverhoudingen van een prelude uit Bachs Wohltemperierte Klavier. Die prelude is op zijn beurt gebaseerd op de l’homme armé-melodie, de grondmelodie van veel middeleeuwse missen. Andriessen speelt hiermee door zelf Bachs noten als grondmelodie te gebruiken. Daarvoor heeft hij ze wel extreem uitgerekt en bewerkt – net als Bach is Andriessen verzot op tellen en proportionele structuren. En een van de effecten is dat obstinate gehamer aan het begin.

  2. Deel 2 Hadewijch

    „Nu hebben we de complete Louis”, dacht dirigent en boezemvriend Reinbert de Leeuw toen hij de partituur van Hadewijch onder ogen kreeg. Het gehamer en de boogiewoogie (deel 3) zaten in eerdere stukken van Andriessen, maar in Hadewijch toonde hij zich van een kant die minder bekend was: lyrisch, intiem.

    Dit deel is een uitgesponnen sopraanaria, gebaseerd op het zevende visioen van de dertiende-eeuwse mystica Hadewijch uit Brabant. Daarin bezingt zij de eenwording met God in zinnelijke termen: „Hij nam mij in zijn armen en drukte mij tegen zich aan.”

    Andriessen verklankt hoe Hadewijch door de kathedraal van Reims naar het altaar loopt, waar Christus op haar wacht. Aan het grondplan van die kathedraal ontleende Andriessen de verhoudingen die aan de muziek ten grondslag liggen. Zo klinkt er een klokachtig akkoord bij iedere pilaar die Hadewijch passeert.

  3. Deel 3 De Stijl

    In een klassieke symfonie is het derde deel een scherzo – ‘een dansje’ in de terminologie van Andriessen. In het geval van De Stijl gaat het om een swingende boogiewoogie. Als veertienjarige was Andriessen naar eigen zeggen een verdienstelijk boogiewoogiepianist, diepere reden voor deze keuze is de schilderkunst van Mondriaan. Dat boogiewoogierif waarmee De Stijl begint, knipoogt naar Mondriaans late werk, zoals Victory Boogie Woogie. De baslijn loopt als een passacaglia het hele deel door en wordt vijftig keer herhaald. De bloksgewijze instrumentatie verwijst ook naar de schilder. Andriessen verbond de instrumentgroepen aan de primaire kleuren en zwarte lijnen en ‘las’ vervolgens het schilderij Compositie met rood, geel en blauw uit 1927. Die mix van arbitrair (welke kleur heeft het koper?) en consequent is typisch Andriessen. Het resultaat klinkt strak en ritmisch als een werk van Mondriaan.

  4. Deel 4

    In het vierde deel overwint de liefde de dood. Bepaalt de geest tóch de materie? Het deel is ook atypisch in de zin dat er nauwelijks in gezongen wordt – alleen een paar extatische strofen van Willem Kloos. Het begint met een langzame afwisseling van hoge en lage akkoorden, die de indruk wekken van een ademhaling of pompbeweging. Dat ritme beheerst het complete deel. Volgens Andriessen is ‘het concept’ vergelijkbaar met dat van de Bolero van Ravel: escalatie, oftewel trapsgewijze vermeerdering. Uiteindelijk klinkt de ademhaling zeven keer zo snel.

    Tegen het einde gebeurt er iets merkwaardigs: de muziek valt stil. Andriessen maakt graag uitzonderingen op de regels die hij hanteert, dus eindigt hij zijn panorama van de Nederlandse cultuurgeschiedenis met een gesproken monoloog van Nobelprijswinnaar Marie Curie. Haar monoloog put uit een wetenschappelijke lezing én uit het dagboek waarin zij treurt om de dood van haar geliefde Pierre.