Recensie

Knappe monoloog over rouw mist emotie

Eigenlijk is het onmogelijk om Find me a boring stone te recenseren. De monoloog over rouw is doordesemd met persoonlijke pijn. Maar nergens wordt de tragedie expliciet benoemd.

Sanne Peper

Eigenlijk is het onmogelijk om Find me a boring stone te recenseren. Deze monoloog, geregisseerd door Erik Whien, is doordesemd met persoonlijke tragedie. Het stuk, op zijn verzoek geschreven door Rik van den Bos, gaat over een man die rouwt om het verlies van een dierbare. Die uit het raam kijkt en observeert, herinneringen ophaalt, en troost vindt in de drukte en eenzaamheid van de stad. Het stuk komt voort uit persoonlijk verlies: Whien verloor recent in korte tijd zijn beide ouders. Het kan niet anders dan dat die kennis de kijkervaring verregaand beïnvloed. En het lijkt aanmatigend om kritiek te formuleren op zoiets persoonlijks, zoiets groots.

Maar het moet.

Hartroerende liedjes

Voor Whien zelf, voor Van den Bos en voor acteur Gijs Naber moet de voorstelling een balanceeract zijn. Het lijkt alsof zij die opzettelijk niet te persoonlijk wilden maken; de tekst cirkelt om de pijn – nergens wordt de tragedie expliciet benoemd. Uit flarden herinnering, en de fraaie, hartroerende liedjes van Stan Vreeken blijkt gaandeweg, mondjesmaat, dat het om het verlies van een ouder gaat. Een moeder.

Maar de makers blijven bewust uit de buurt van de anekdote. Ze zoomen in op de gedachtestroom en associaties van die rouwende man bij het raam. De tekst lijkt daarbij te aarzelen tussen te algemeen en te specifiek; eindeloze (fraaie) details somt Naber op, over de mensen en hun levens in de stad, grote ambities en kleine eigenaardigheden; het gaat tegelijk over alles en niets.

Afgemeten toon

Slechts zijdelings horen we over verdriet en verlies – soms in platitudes, zoals de onmachtige pogingen tot troost van anderen, soms in goed gekozen, zielkervende details: hoe het is om deel te zijn van de begrafenisstoet, achter het stuur van de eerste volgwagen na de rouwauto.

Ook lijken de makers terug te schrikken voor sentiment. Dit blijkt vooral uit Nabers toon, die vlak is, afgemeten, soms zelfs onverschillig. Zijn tekstbehandeling is zo monotoon dat het wel gekozen móet zijn, mogelijk uit angst voor effectbejag. Maar die strenge, kale spreektrant houdt de toeschouwer te zeer op afstand, vooral omdat Naber op toneel ook letterlijk op afstand blijft. Het decor is sober, de belichting schaars. Dat maakt het geheel traag, ingetogen en streng. Zoals de man zich moet verzoenen met zijn lot, zo lijkt de voorstelling zelf een Boeddhistische oefening in acceptatie: we moeten ‘opgaan in de traagheid van de tijd’. Adem in, adem uit, zegt Naber op toneel herhaaldelijk. Zo wordt Find me a boring stone een meditatie op het leven, en de dood. Dat is interessant, en knap uitgevoerd. Maar wat mist is emotie.

Lieve jeugdherinnering

Het klinkt bijna pervers, gezien de autobiografische materie, maar als publiek wil je óók die andere stadia van het rouwproces meemaken, en meevoelen: de woede, het verdriet. Loutering en catharsis volgen daarna. Die boog wordt ons nu ontnomen. Eerst is er afstand, dan acceptatie. Het eerste duurt te lang, het laatste komt te snel.

Mooi is wel het slot. Dan speelt Naber een lieve jeugdherinnering, twee broertjes met hun vader op een strand, die tegelijk een belangrijke, existentiële levensles blijkt. Eindelijk mogen wij even meeleven. Een reusachtige zon komt op (mooie decorvondst van Marc Warning), en beschijnt het publiek. Al die levens, de hoop, het verdriet; plotseling zijn wij de mensen uit de tekst: mensen die lijden en verder leven. Dan vallen publiek en voorstelling uiteindelijk prachtig samen.