Zo begrijp je alles wat er gebeurt in een wielerwedstrijd

Wat voor soorten renners bestaan er, hoe werkt het tactische steekspel, welke wedstrijden worden er in een seizoen gereden? Met deze gids kun je overal over meepraten.

Tom Dumoulin op weg naar een etappezege in de Tour de France in 2016. Foto Kim Ludbrock/EPA

Wielrennen is veel meer dan gewoon hard fietsen. Het is verbonden smeden met vijanden en ze weer verbreken, het juiste materiaal kiezen, toneelspelen, je voordeel doen met de weersomstandigheden. Als je een beetje weet hoe dat werkt, is wielrennen nog veel leuker.

Helemaal als je koersgekke partner je verplicht naast hem of haar op de bank naar de Driedaagse De Panne-Koksijde te kijken, of als je oom tijdens een dinertje begint over “eerst het bordje van een ander leeg eten” en jij kan antwoorden dat jij zijn “karretje in de poep gaat rijden”. Dit overzicht gidst je langs de basis van het wielrennen. Je kunt alles lezen, of een deel selecteren waar je meer over wilt weten.

1. Zo is het peloton samengesteld

1A. De teams
Het is grotendeels een individuele sport, maar toch rijden wielrenners voor een ploeg. In tegenstelling tot in bijvoorbeeld het voetbal, zijn de ploegen geen clubs. Ze worden vernoemd naar hun sponsor en co-sponsor. Dat leidt tot namen als Bora-Hansgrohe, Quick-Step Floors of LottoNL-Jumbo. Tegenwoordig zijn er ook landen die ploegen sponsoren. Astana wordt gesponsord door de Kazachstaanse overheid, Team Bahrain-Merida door de overheid van Bahrein, UAE Team Emirates door een sjeik uit de Verenigde Arabische Emiraten.

Als een sponsor stopt, verdwijnt de ploeg of kan de infrastructuur van een ploeg door een andere sponsor worden overgenomen. LottoNL- Jumbo was voorheen Belkin en daarvoor Rabobank.

Op het hoogste niveau, de World Tour, rijden achttien ploegen. Zij moeten alle wedstrijden uit de World Tour rijden. Daar vallen onder meer de klassiekers en de Grote Rondes onder. Voor de World Tour wedstrijden worden ook pro-continentale ploegen uitgenodigd, het niveau onder de World Tour. Organisatoren mogen zelf beslissen aan wie van hen ze een wildcard geven. Op dit moment zijn er twee Nederlandse profploegen: LottoNL-Jumbo in de World Tour en Roompot-Nederlandse Loterij op het niveau daaronder.

De presentatie van Team LottoNL-Jumbo, eind 2016. Foto Koen van Weel/ANP

World Tour-teams hebben minstens 25 renners onder contract. In de meeste wedstrijden worden acht renners per ploeg opgesteld. In de Grote Rondes is dat negen, hoewel daar het plan is, omwille van de veiligheid, om dat naar acht terug te brengen. Dan is het peloton immers wat kleiner.

1B. De renners
Binnen een ploeg zijn er verschillende renners. De eerste tweedeling is die tussen kopmannen en knechten. Kopmannen zijn de renners die gaan voor de winst in een wedstrijd, knechten degenen die hen daarbij helpen. Zij halen water, eten, rijden gaten dicht op ontsnapte concurrenten, rijden een kopman terug naar het peloton na pech en fungeren als bliksemafleider. Alles zodat de kopman zo min mogelijk energie verspilt.

Vervolgens zijn er ook verschillende soorten renners:

Klassementsrenners: zij gaan voor de overwinning in het algemeen klassement in de Grote Rondes en kleinere etappekoersen. Ze moeten vooral goed kunnen klimmen en tijdrijden. In die ritten valt, veel meer dan in vlakke etappes, tijd te winnen. Nederlandse renners die een goed klassement kunnen rijden zijn Tom Dumoulin, Steven Kruijswijk en Bauke Mollema.

Sprinters: ze bewaren al hun kracht voor de laatste 300 meter van een rit. Dan schieten ze als een katapult naar voren om als eerste aan de eindstreep te zijn. Sprinters kunnen ondanks al hun kracht absoluut niet klimmen. Daarvoor wegen ze verhoudingsgewijs te veel. Ze mikken op eendagswedstrijden en etappes in meerdaagse wedstrijden. Op dit moment heeft Nederland één renner die zich af en toe met de sprinttop kan meten: Nederlands kampioen Dylan Groenewegen.

Klimmers: op het vlakke gaat het erom dat je zoveel mogelijk vermogen kunt trappen. Dat wordt uitgedrukt in wattage. Bij bergop rijden is het belangrijk dat je zoveel mogelijk vermogen per kilogram lichaamsgewicht weg kunt trappen. De beste klimmers wegen in verhouding tot hun kracht dus niet te veel. Vaak zijn goede klimmers klein, maar ook lange, dunne renners kunnen goed tegen een berg op rijden. Onder de klimmers heb je ook de ‘puncheurs’. Zij combineren klim- met sprintvermogen en hebben zeker op heuvels een explosieve versnelling in de benen. Ook hebben ze een goede eindsprint. Ze zijn goed in heuvelklassiekers en bergetappes in meerdaagse wedstrijden. Robert Gesink en Wout Poels zijn Nederlanders die goed kunnen klimmen.

Eendagsrenners: zij gaan voor de overwinning in de klassiekers. Je hebt specialisten voor heuvelklassiekers, vaak de ‘puncheurs’, en voor de noordelijke klassiekers. Dat zijn steviggebouwde renners die niet wegstuiteren op kasseien. Renners die zijn begonnen als sprinter en door de jaren heen meer uithoudingsvermogen hebben gekregen, ontwikkelen zich vaak tot noordelijke klassiekerspecialisten. Ze kunnen zich ook richten op etappes in Grote Rondes en het WK. Van de Nederlanders is Niki Terpstra de beste specialist in de noordelijke klassiekers.

Aanvallers: renners die nergens echt in gespecialiseerd zijn, moeten het hebben van hun doorzettingsvermogen en aanvalslust. Ze ontsnappen vaak vroeg in de wedstrijd en proberen het dan zo lang mogelijk vol te houden. Ze winnen niet vaak, maar als ze winnen is hun overwinning vaak heroïsch.

Tijdrijders: gewoon zo hard mogelijk trappen is zo makkelijk nog niet. Tijdrijden is een specialisme op zich. Je moet lang een vermogen kunnen trappen waarbij je spieren net niet verzuren, in een oncomfortabele aerodynamische houding kunnen zitten en steeds hetzelfde trapritme vast kunnen houden. Tom Dumoulin is de beste tijdrijder van Nederland en één van de beste tijdrijders ter wereld.

2. Het verloop van een race

2A. Soorten wedstrijden

Er zijn verschillende soorten races binnen het wegwielrennen. Soms worden ze als losse wedstrijd verreden, andere keren vormen verschillende type wedstrijden samen een meerdaagse wedstrijd.

Rit in lijn: er wordt van punt A naar punt B gereden en met het hele peloton tegelijk gestart. Winnaar is degene die als eerste over de streep komt. Er zijn vlakke etappes, etappes over geaccidenteerd terrein en bergetappes met een finish op een berg of na een afdaling.

Tijdrit: iedere renner start individueel en degene met de snelste eindtijd wint. Er zijn ook klimtijdritten met één of meerdere bergen.

Ploegentijdrit: een hele ploeg start samen. Bij een ploegentijdrit met negen renners geldt de tijd van de vijfde renner. Er mogen er dan dus vier afvallen tijdens de tijdrit. Als een ploegentijdrit in een etappewedstrijd wordt verreden telt de tijd mee in het individuele klassement. Wordt een renner ‘gelost’ - hij moet afhaken - dan krijgt hij niet de tijd van de ploeg, maar de tijd die hij er zelf over doet om het parcours af te leggen.

Eendaagse wedstrijd: een koers van een dag. Is meestal een rit in lijn, maar er zijn ook eendaagse tijdritten en ploegentijdritten.

Meerdaagse wedstrijd: een koers die in meerdere etappes verreden wordt. Meestal bestaat die uit vooral ritten in lijn en één of meer tijdritten. Af en toe wordt er ook een ploegentijdrit gereden. De lengte van een meerdaagse wedstrijd varieert van drie dagen tot drie weken.

2B. Algemeen verloop
Een rit in lijn voltrekt zich vaak via een eenzelfde patroon. Na de start vormt zich een vroege kopgroep. Die bestaat uit avontuurlijk ingestelde renners die hopen dat het hun dag is, luitenanten van kopmannen die later in de wedstrijd tactisch van pas kunnen komen en renners die kansloos zijn, maar in beeld willen komen voor hun sponsor.

Het peloton laat ze meestal een paar minuten voorsprong pakken. In de Tour de France kan het soms lang duren voordat ‘de ontsnapping van de dag’ tot stand is gekomen. Een etappeoverwinning is er veel waard en er spelen ploegen- en klassementsbelangen mee. Staat deze renner op genoeg achterstand in het klassement en is een voorsprong pakken daarom zonder gevaar?

Dan begint het grote middengedeelte. De voorsprong van de kopgroep blijft min of meer gelijk. De kopmannen, sprinters of klassementsrijders, verspillen zo min mogelijk energie en de knechten doen hun werk: water halen, de kopman uit de wind houden, het tempo in het peloton hetzelfde houden.

Daarna zijn er verschillende opties voor de zogeheten finale van de koers. Uiteraard verloopt het niet altijd zo.

Vlakke etappe: in een gewone vlakke etappe, die vaak eindigt in een massasprint, is de finale bij benadering de laatste veertig kilometer. Het gat met de kopgroep wordt steeds kleiner, maar het echte terughalen gebeurt zo laat mogelijk. Dan krijgen anderen zo min mogelijk kans nog een ontsnappingspoging te ondernemen. In de laatste tien kilometer wordt het tempo zo hoog opgetrokken dat wegrijden helemaal onmogelijk wordt. Vanaf vijf kilometer vormen de grote sprintersploegen ‘treintjes’. Achter elkaar, met hun sprinter in laatste positie, proberen ze voor in het peloton te raken. Steeds rijdt er één renner op kop, waarna hij afvalt. In de laatste kilometer zijn er nog plusminus drie renners over, onder wie de sprinter. Op 500 meter van de finish komt de sprintaantrekker op kop die zich helemaal leeg rijdt om zijn kopman op volle snelheid te laten beginnen aan zijn sprint. In de laatste 200 tot 300 meter moet de sprinter het proberen af te maken.

Soms misrekent het peloton zich echter. De renners uit de vroege kopgroep blijken sterker dan gedacht en het gat wordt niet gedicht. Dan kunnen zij om de overwinning strijden. In lange etappekoersen is het ook gebruikelijk om ergens in de latere etappes de kopgroep de zegen te geven. Een etappekoers is zwaar en de klassementsrenners en sprinters hebben af en toe behoefte aan een snipperdag.

Bergrit: een etappeoverwinning is voor klassementsrenners van minder belang en daarom laten ze de vroege kopgroep met regelmaat om de zege vechten. Er vallen ook veel punten voor het bergklassement te verzamelen waardoor in tegenstelling tot in vlakke etappes ook de betere renners in een vroege kopgroep willen zitten. Maar bergritten kennen vaak ook een koers in de koers. Al is de etappezege voor de kopgroep, bergritten zijn altijd belangrijk voor het klassement. Als een klassementsrenner een slechte dag heeft, kan hij minuten verliezen.

De ploeg van de leider vormt gedurende de etappe vaak een klimtreintje voor hun kopman. Alle renners rijden dan voor hun kopman aan de voorkant van het peloton. Bergop houden ze het tempo strak. Concurrenten durven dan niet aan te vallen. De echte strijd om het klassement barst vaak pas op de laatste berg los. Dan is het ieder voor zich om zo snel mogelijk te finishen.

Nederlander Wout Poels helpt zijn kopman Chris Froome door veel kopwerk te doen in een etappe bergop in de Tour de France van 2016. Foto Bas Czerwinski/ANP

In bergritten wordt soms de tactiek gebruikt om luitenanten van de kopman aan te laten vallen. In een later stadium kunnen zij dan te hulp schieten. De Nederlander Steven Kruijswijk leek in de Giro d’Italia in 2016 op weg naar de eindzege. In een van de laatste etappes viel hij in een afdaling. Concurrent Vincenzo Nibali had een paar ploeggenoten vooruit gestuurd die zich lieten terugzakken naar hun kopman. In de vallei naar de laatste beklimming konden ze Nibali zijn krachten laten sparen, terwijl Kruijswijk helemaal alleen zat. Kruijswijk verloor daar de Giro.

Klassieker: in een klassieker begint de finale op zo’n 60 tot 80 kilometer voor de finish. De knechten houden het gat met de vroege kopgroep zo klein mogelijk en dan is het aan de kopmannen om weg te rijden. Soms worden er eerst nog renners die net onder het niveau van de kopman zitten naar voren geschoven. Zij kunnen een kopman dan helpen als die bij hen komt, of zelf proberen te winnen, als er uit tactische overwegingen wordt besloten niet achter hem aan te rijden. Omdat er in klassiekers meerdere obstakels zitten, hellingen of kasseistroken, is het meestal een select groepje renners dat om de overwinning strijdt. Soms rijdt de sterkste renner weg op een van de ‘scherprechters’ – een zware helling of kasseistrook op het einde –, soms sprint een klein groepje om de overwinning, een andere keer rijdt een renner op een onverwacht moment weg.

Het komt voor dat de vroege kopgroep niet wordt teruggepakt, of dat een renner uit de vroege kopgroep sterk genoeg blijkt om zich tussen de opstomende kopmannen te handhaven. Op die manier won de Nederlander Erik Dekker in 2004 Parijs-Tours en de Australiër Mathew Hayman in 2016 Parijs-Roubaix.

2C. Tactiek
Het basisprincipe in het wielrennen waar alle tactische beslissingen uit voortkomen is dat het minder zwaar is om in iemands wiel te rijden dan zelf op kop te rijden. In de slipstream is sprake van minder luchtweerstand en een aanzuigende werking door de snelheid van de voorganger.

Het is dus van belang zo min mogelijk tijd zelf ‘op kop’ te komen. Zoals een bekende wieleruitspraak luidt: je moet eerst het bordje van een ander leegeten, voordat je aan dat van jezelf begint. Daarom hebben kopmannen knechten die hen het grootste deel van de wedstrijd ‘uit de wind’ houden.

Finale rijden: dit principe komt het duidelijkst terug op het einde van een wedstrijd. Als je op dat moment om de overwinning meedoet, is het eerste dat van belang is je eigen kwaliteiten en die van je tegenstanders in te schatten. Of je nou met een vroege kopgroep of een groep favorieten op kop ligt. Heb je een goede eindsprint, dan kun je er een educated guess op loslaten dat je dan de wedstrijd wint. Kan je niet sprinten, dan moet je proberen alleen weg te rijden. De ijskonijnen dwingen de betere sprinters meer kopwerk te doen, met het argument dat ze je anders in de sprint toch wel kloppen. Dat een achterliggende groep je daarom achterhaalt, is een risico dat je dan moet nemen.

Niki Terpstra (in blauwwit shirt) probeert in Gent-Wevelgem 2017 Peter Sagan (in regenboogtrui) tactisch af te bluffen, maar zijn gok pakt verkeerd uit

Zit je met een ploeggenoot voorop, dan kun je dat uitbuiten door na elkaar te demarreren. Als de ene wordt teruggepakt, demarreert de ander en vice versa. Daarmee mat je de andere renners in de kopgroep af. In je eentje is het lastiger het juiste moment te kiezen. Vaak is dat van geluk afhankelijk, soms kun je doen alsof je er compleet doorheen zit en dan toch vanuit de rug van je tegenstanders wegrijden. Als je een gaatje hebt geslagen, moeten de achterliggers de echte tactische keuzes gaan maken. Er is dan sprake van een prisoners dilemma.

Stel: renner 1 heeft een gaatje. Als renner 2 en 3 eendrachtig zouden samenwerken, komen ze misschien terug. Rijdt renner 2 wel op kop, maar renner 3 niet omdat hij erop gokt dat renner 2 zich lekker moe maakt, dan is renner 2 kansloos en andersom. Rijden ze allebei niet omdat ze bang zijn voor dat scenario, dan zijn ze ook kansloos. Op dat moment wordt wielrennen wiskunde. Als het om meer renners gaat of om een lastiger parcours, wordt het maken van de juiste afweging steeds ingewikkelder. Zit er een goede sprinter bij, dan ga je die als mindere sprinter natuurlijk niet helpen weer vooraan te komen. Maar dan loop je het risico dat je zelf ook geklopt bent. In etappewedstrijden spelen er weer andere belangen mee. Misschien strijd je niet mee om de etappewinst, maar kan je wel tijdswinst boeken in het klassement. Dan kan je toch kopwerk doen, terwijl je kansloos bent voor de zege.

Waaier: een spectaculaire tactiek bij specifieke windomstandigheden is waaierrijden. Komt de wind recht van voren, dan is precies achter je voorganger rijden het gunstigst. Het hele peloton kan dan uit de wind rijden als iedereen netjes achter elkaar rijdt. Staat de wind echter schuin, dan is het het meest gunstig om ook schuin achter je voorganger te rijden.

Op een weg is daar echter maar beperkt plaats voor. Als het voorste deel van een peloton een ‘waaier’ vormt – een groep renners die over de breedte van de weg achter elkaar rijdt – dan hebben de renners die daar achter zitten een probleem. De groep achter de waaier wordt dan ‘op de kant gezet’. Zij kunnen alleen nog maar recht achter hun voorganger rijden aan de zijkant van de weg en vangen dan alle wind. Zo vol in de wind rijden kan je maar beperkt volhouden en vaak ontstaat er dan een breuk in het peloton. De geloste renners kunnen daarna hun eigen waaier vormen, waarbij weer een ander deel van de renners op de kant gezet wordt. Na verloop van tijd kan het peloton dan in talloze waaiers uiteengeslagen worden.

Als je niet in de eerste waaier zit, is de kans erg klein dat je nog terugkomt. Zo kun je minuten verliezen. In etappewedstrijden kan het daarom gebeuren dat een ploeg het peloton voor zijn kopman in waaiers trekt in de hoop dat andere klassementsrenners zich laten verrassen.

Het WK wielrennen in Qatar in 2016 werd beslist door waaiervorming

3. Het materiaal

Een fiets waar een renner op rijdt is van aanzienlijk minder belang dan de auto waarin een Formule 1 –coureur zijn rondjes aflegt. Toch zijn er enkele eisen waar een fiets aan moet voldoen.

3A. De racefiets
De frames van de fietsen zijn tegenwoordig haast zonder uitzondering gemaakt van carbon. De koolstofverbinding is stevig, licht en geeft door zijn verende eigenschappen nog enigszins comfort aan de renner. Een fiets moet minstens 6,8 kilogram wegen. Volgens de internationale wielerbond UCI is dat uit veiligheidsoverwegingen, maar omdat fabrikanten geen enkele moeite hebben om het gewicht van een fiets onder de 6,8 kilo uit te laten komen, moeten er soms kunstgrepen worden uitgevoerd om toch aan het gewicht te komen. Denk aan stripjes lood onder bidonhouders. Een racefiets van profs heeft tegenwoordig 22 versnellingen. Er zijn twee voorbladen en elf zogeheten kransjes achter.

Beweeg je muis over de rode cirkels voor informatie over de onderdelen van een racefiets

3B. De tijdritfiets
Voor een tijdrit gebruikt een renner een fiets die zo aerodynamisch mogelijk is. Op een tijdritfiets zit een ander stuur dan op een gewone racefiets. Geen gebogen ‘beugel’, maar een ligstuur. Daar legt een renner zijn onderarmen op om een zo klein mogelijk frontaal oppervlak te creëren. Hoe kleiner dat is, hoe minder de luchtweerstand meespeelt. In de jaren negentig waren de meest exotische ontwerpen voor tijdritfietsen te zien, voor de aerodynamica. De UCI besloot dat soort fietsen te verbieden. Er zijn nu verschillende strenge eisen waar een tijdritfiets aan moet voldoen, zoals de vorm van het frame en de afstand tussen de punt van het zadel en de trapas. Renners dragen ook aerodynamische kleding die uit één stuk bestaat en hebben een helm op die qua vorm wat weg heeft van een druppel.

Vergelijk de tijdritfiets van Miguel Indurain van het merk Pinarello uit de jaren negentig (links) met een moderne tijdritfiets (rechts) door de slider te verschuiven. De fiets in de jaren negentig had bijvoorbeeld een kleiner voorwiel dan achterwiel en een frame met een hele andere vorm.

 
Pinarello

3C. Speciaal materiaal
In met name de noordelijke klassiekers gebruiken renners speciaal materiaal. Op de kasseien worden niet alleen de renners, maar ook de fietsen tot het uiterste getest. Ze rijden met een paar millimeter dikkere banden (27 tot 30 millimeter in plaats van de standaard 23 millimeter), waardoor de kans op een lekke band afneemt en het comfort iets toeneemt. Renners gebruiken een dubbel stuurlint om de handen iets te ontlasten en er wordt geëxperimenteerd met speciale vering in de frames. Sommige renners kiezen er uit voorzorg voor niet met de vandaag de dag gebruikelijke elektrische schakelsystemen te rijden, maar met mechanische, of met een frame dat normaal in veldritten gebruikt wordt.

Bekijk bij BikeRadar.com een fotoreportage over speciale fietsen bij Parijs-Roubaix in 2016.

Op dit moment speelt in het wielrennen een discussie over het gebruik van een nieuw soort remmen. Traditioneel wordt in het wegwielrennen een velgrem gebruikt, en geen schijfrem zoals in auto’s of bij het mountainbiken. Schijfremmen zijn minder gevoelig voor weersomstandigheden en remmen valt beter te doseren. Er zijn echter een paar valpartijen geweest waarbij renners zich open haalden aan de scherpe schijfremmen. Wereldkampioen Peter Sagan vindt dat schijfremmen pas moeten worden toegestaan als iedereen er mee rijdt. Een wiel verwisselen duurt langer met schijfremmen en ermee rijden als niet iedereen dat doet, levert dan een nadeel op.

4. De opbouw van het seizoen

Nu de sport mondialiseert en er lang niet meer alleen in Europa gereden wordt, zijn er bijna het hele jaar door wel races: van de Tour Down Under in Australië in januari tot en met de Tour of Guangxi in China eind oktober. Grofweg valt het seizoen zo in te delen:

4A. Voorbereidingskoersen
Als bij Matthijs van Nieuwkerk aan tafel nog de illusie leeft dat we dit jaar écht misschien wel een klein kansje hebben dat er een Elfstedentocht komt, zitten de renners allang op de fiets om zich voor te bereiden op het nieuwe seizoen. Dat doen ze met wedstrijden in warme oorden: Australië, Argentinië, Abu Dhabi, Oman, Mallorca, de Algarve. Het winnen van die wedstrijden levert weinig prestige op, het gaat vooral om ‘snelheid in de benen krijgen’. Na een paar maanden met vooral lange, rustige trainingen weer het ritme van een wedstrijd ondervinden.

Een tweede fase van de voorbereiding vindt plaats in Europa. Vanaf eind februari begint het traditionele wielerseizoen met een paar zogeheten semiklassiekers in voornamelijk België: de Omloop het Nieuwsblad, Kuurne-Brussel-Kuurne, de E3-Prijs Harelbeke, Gent-Wevelgem. Het zijn wedstrijden in Vlaanderen over heuvels met kinderkopjes, beter bekend als ‘kasseien’, soms in slechte weeromstandigheden waarbij de wind een grote rol kan spelen. Daarnaast zijn er meerdaagse wedstrijden. In Frankrijk Parijs-Nice, in Italië de Tirreno-Adriatico, in Spanje de Ronde van Catalonië. Die Europese koersen zijn vaak niet het hoofddoel van wielrenners, maar staan wel mooi op hun cv.

4B. Voorjaarsklassiekers
Het hoogtepunt van het voorseizoen zijn de vijf belangrijke voorjaarklassiekers. Dat zijn ééndagswedstrijden met een grootse geschiedenis die langer zijn dan 240 kilometer. Achtereenvolgens: Milaan-San Remo (Italië, half maart), de Ronde van Vlaanderen (België, eind maart/begin april), Parijs-Roubaix (Frankrijk, begin/half april), de Amstel Gold Race (Nederland, half/eind april) en Luik-Bastenaken-Luik (België, half/eind april). Ze zijn op te delen in drie verschillende types.

Milaan-San Remo staat een beetje op zichzelf: de koers is met bijna 300 kilometer de langste van allemaal en dat is vooral ook het zwaarste aan de wedstrijd. Er zijn in het parcours langs de Ligurische kust wel een aantal heuveltjes opgenomen, maar die zijn niet al te zwaar. Vaak wonnen er pure sprinters, de laatste jaren zijn de heuveltjes iets belangrijker waardoor renners met een goede versnelling heuvelop én een goede eindsprint als eerste finishen.

Noordelijke klassiekers: de voorbereidende semiklassiekers in België worden er toe gerekend, net als de echte klassiekers de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix. Ze voeren over wegen met kasseien. In de Ronde van Vlaanderen zijn ook nog heuveltjes met en zonder kasseien opgenomen, in Parijs-Roubaix zijn alleen vlakke kasseistroken. Het weer kan een complicerende factor zijn. Als het regent zijn de kasseistroken spekglad en is stuurmanskunst nog belangrijker. De wind kan de koers zwaarder maken dan alleen het parcours al doet. Deze races vragen het meeste van het van de renners.

Het zijn steviggebouwde, zwaardere renners die deze wedstrijden het best verteren, vanwege de weersomstandigheden en omdat kilo’s lichaamsgewicht ervoor zorgen dat je op de kasseien zo min mogelijk stuitert.

Heuvelklassiekers: de Amstel Gold Race en Luik-Bastenaken-Luik zijn op twee achtereenvolgende zondagen in april het zwaartepunt. Op de woensdag daartussen is de semiklassieker de Waalse Pijl. De drie wedstrijden samen vormen het Ardennendrieluik. Wat de wedstrijden zo zwaar maakt, is de opeenvolging van vele steile hellingen, met een hellingsgraad van soms wel 20 procent. De pure klimmers kunnen hier goed uit de voeten. De wedstrijden worden vaak gewonnen door ‘puncheurs’: renners die goed kunnen klimmen, heuvelop hard kunnen versnellen en aan het eind een goede sprint overhouden.

4C. Grote Rondes
Waar de voorjaarsklassiekers de belangrijkste eendagskoersen zijn, zijn de drie Grote Rondes de belangrijkste etappekoersen. Het zijn in chronologische volgorde de Giro d’Italia, de Tour de France en de Vuelta a España.

Ze duren drie weken en bestaan uit etappes voor alle soorten renners: vlakke etappes voor de sprinters, bergetappes voor de klimmers, tijdritten voor de tijdrijders. Het winnen van een etappe is al erg prestigieus, maar de echte prijs is het algemeen klassement: wie de totale afstand over 21 etappes, zo’n 3.500 kilometer, in de minste tijd heeft afgelegd. Een goede klassementsrenner moet kunnen klimmen en tijdrijden, want daar is de meeste tijdswinst te behalen. Daarnaast zijn er verschillende nevenklassementen, voor beste klimmer, beste sprinter en beste ploeg.

Ronde van Italië: de Giro d’Italia is in mei de eerste Grote Ronde. De wedstrijd kenmerkt zich door de vele bergetappes door de Alpen, de Appenijnen en de Dolomieten. De belangrijkste prijs is de roze trui, voor wie na elke etappe leider is in het algemeen klassement en aan het einde de winnaar is. Sportkrant La Gazzetta dello Sport creëerde de Giro en werd op roze papier gedrukt, vandaar dat de leiderstrui ook roze is. De laatste etappe leidt het vaakst naar Milaan, maar er is ook gefinisht in Rome en Verona. Ter voorbereiding rijden veel renners de Ronde van Romandië in Zwitserland.

Ronde van Frankrijk: de Tour de France wordt verreden in juli, is de belangrijkste koers van de drie Grote Rondes en de belangrijkste wielerwedstrijd van het jaar. Een etappe winnen in de Tour staat voor sommigen gelijk aan het winnen van een klassieker. De leider en winnaar in het algemeen klassement draagt de gele trui. Dat heeft een zelfde soort oorsprong als de roze trui in de Giro. L’Auto, de bedenker van de Tour, werd op geel papier gedrukt.

Ook het winnen van de bolletjestrui voor beste klimmer, de groene trui voor het puntenklassement (gaat meestal naar een sprinter) en de witte trui voor beste renner in het algemeen klassement onder de 26 jaar, wordt als grote prijs gezien. Het zwaartepunt van de Tour ligt in de twee grootste bergketens van Frankrijk: de Alpen en de Pyreneeën. Een aantal beklimmingen is legendarisch, zoals de Alpe d’Huez, de Mont Ventoux en de Tourmalet. Elk jaar staan daarvan wel een paar op het programma.

De laatste etappe finisht op de Champs-Élysées in Parijs. De start, de Grand Départ, is vaak in Frankrijk. Ongeveer om het jaar is de start echter in het buitenland, als er genoeg geld wordt neergeteld. Er is zes keer in Nederland gestart, in 2015 voor het laatst, in Utrecht. De belangrijkste voorbereidingswedstrijden voor de Tour zijn de Dauphiné Liberé in Frankrijk en de Ronde van Zwitserland.

Ronde van Spanje: de laatste Grote Ronde van het jaar is de Vuelta a España, die eind augustus tot en met half september wordt verreden. Naast renners die een specifiek doel van de Vuelta hebben gemaakt, nemen er vaak renners aan deel die een tegenvallende Tour de France hebben gereden. Ook wordt de wedstrijd gebruikt als voorbereiding op het WK. Lang droeg de leider in het klassement een gouden trui, sinds 2010 is dat rood. Ook in de Vuelta is er een klassement voor beste klimmer en een puntenklassement. De finish is in Madrid, de start ergens in Spanje en heel af en toe erbuiten. In 2009 was Assen de startplaats. De Ronde van Polen en de Belgisch-Nederlands Eneco Tour gelden als voorbereidingswedstrijden.

Het is in het moderne wielrennen bijna onmogelijk om in meer dan één Grote Ronde per jaar een goed klassement te rijden. Daarvoor zijn ze te zwaar en worden ze te snel achter elkaar gereden. Voor het laatst wist een renner in 2008 twee Grote Rondes in een jaar te winnen: de Spanjaard Alberto Contador won de Giro en de Vuelta. In totaal zes renners wisten alle drie de rondes minstens één keer te winnen. De Australiër Adam Hansen heeft vanaf de Vuelta van 2011 alle Grote Rondes gereden én uitgereden, al rijdt hij nooit mee om de zege in het algemeen klassement.

4D. Najaar
Na de Tour de France begint het wielernajaar. Naast de Vuelta en het WK zijn het vooral eendagswedstrijden met minder statuur dan de voorjaarsklassiekers die dan gereden worden. Zo is er de week na de Tour de heuvelklassieker Clasica San Sebastian in Baskenland en is daarna de EuroEyes Cyclassics in Hamburg. De grootste wedstrijden in het najaar zijn Parijs-Tours, hoewel die sprinterswedstrijd minder prestigieus is geworden, en de Ronde van Lombardije. Die Italiaanse klassieker, bijgenaamd ‘de koers van de vallende bladeren’, behoort net als de voorjaarsklassiekers, minus de Amstel Gold Race, tot de vijf ‘monumenten’. Het is een klassieker met veel steile hellingen die hetzelfde type renners aantrekt als de Ardennenklassiekers.

In een poging van de internationale wielerbond het wielrennen te mondialiseren, zijn er in het najaar tegenwoordig een aantal wedstrijden buiten Europa toegevoegd. In Canada worden in september twee eendagswedstrijden verreden, in China wordt het seizoen met de zesdaagse Tour de Guangxi afgesloten.

4E. Kampioenschappen
In het peloton rijden een aantal renners rond met een speciale trui. Dat mogen ze, omdat ze een kampioenschap gewonnen hebben. Je hebt nationale kampioenschappen, continentale kampioenschappen en wereldkampioenschappen.

Nationale kampioenen dragen meestal een trui in de kleuren van de vlag van hun land. De Nederlands kampioen draagt een rood-wit-blauwe trui. De nationale kampioenschappen worden in bijna alle landen een week voor de Tour de France gereden. Er is een kampioenschap in de wegrit, dat is een gewone eendagskoers, en een kampioenschap in de tijdrit. Een tijdritkampioen draagt zijn kampioenstrui alleen in tijdritten, een wegkampioen alleen in gewone ritten.

Dylan Groenewegen draagt als Nederlands kampioen de rood-wit-blauwe trui. Foto Bas Czerwinski/ANP

Sinds vorig jaar worden er ook Europese kampioenschappen wielrennen gehouden, waarbij de winnaar een blauwe trui met gele sterren krijgt. Veel langer bestaat het wereldkampioenschap. Die eendagswedstrijd is een van de laatste races van het seizoen, in september of oktober. De wedstrijd wordt vaak niet van het ene punt naar het andere gereden, maar in rondes van 15 tot 20 kilometer, met daarin een paar obstakels, meestal steile hellingen. Ook wordt er niet met de gewone commerciële ploegen gereden, maar met landenploegen. Elk jaar is het WK ergens anders. De winnaar krijgt de regenboogtrui overhandigd. Er is een WK in de wegrit en een WK tijdrit. Ook hier geldt dat de winnaar van het tijdrijden alleen in tijdritten zijn trui draagt en een wegkampioen alleen in ritten in lijn. Sinds een paar jaar wordt een WK ploegentijdrit verreden. Dat wordt wel in de week van het WK verreden, maar vindt plaats met de gewone merkenploegen in plaats van landenploegen.

De Slowaak Peter Sagan is wereldkampioen en draagt daarom de regenboogtrui. Foto Dario Belingheri/EPA

Tijdens de Olympische Spelen staat ook het wegwielrennen op het programma. De opzet is vergelijkbaar met een WK, met een wegrit en tijdrit. De winnaars krijgen alleen geen trui uitgereikt die ze vier jaar mogen dragen.