Zijn Nederlanders tóch ongelijker geworden?

Het is een van de grootste sociaal-economische raadsels van deze tijd: waarom denken zo veel mensen dat de inkomensongelijkheid stijgt, maar laten de cijfers dat niet zien? De Gini-coëfficiënt, die de verdeling van het inkomen over de bevolking weergeeft, is voor Nederland laag, en stabiel: zo’n 28 procent. Nederland zit, en blijft, daarmee in de egalitaire groep, waar ook de Scandinavische landen zich bevinden.

Toch is de perceptie anders. Het Sociaal en Cultureel Planbureau schreef gisteren nog in zijn jongste ‘Burgerperspectieven’ dat het verschil in onbehagen tussen hogere en lagere inkomens toeneemt. ING publiceerde een half jaar geleden een fraai onderzoek, waaruit bleek dat 12 procent van de Nederlanders, bevraagd over naar inkomensvraagstukken, een gebrek aan inkomensgroei als voornaamste grief noemde. Maar liefst 64 procent noemde groeiende inkomensgelijkheid.

Waar komt dat vandaan? Waarom lopen de harde cijfers en de perceptie zo uiteen? Het kan aan de perceptie liggen. Het discours over ongelijkheid is, zoals wel meer, sterk door de Angelsaksische media en wetenschap beïnvloed. De enorme discussie over de beruchte ‘1-procent’, die in de VS speelt, kan makkelijk de indruk wekken dat dit in dezelfde mate hier ook aan de hand is. Er is de aandacht geweest voor Thomas Piketty’s ‘Kapitalisme in de 21e eeuw’. En de vermogensongelijkheid in Nederland is – al veel langer trouwens – wél groot en kan in het publieke opinie door de war zijn gaan lopen met inkomensongelijkheid.

Aan de andere kant: meten we wel goed? Lees het stuk van een groep economen, waaronder Piketty, afgelopen donderdag op de site van denktank CEPR. Die stelt dat macro-economische data én inkomensgegevens, die je vaak allebei nodig hebt, zodanig van aard verschillen dat je er weinig aan hebt als je wil rekenen aan ongelijkheid. Het instrumentarium om mee te meten is, kort gezegd, eigenlijk best gebrekkig.

Er zijn intussen zat aanwijzingen voor een groeiende ongelijkheid in het besteedbaar inkomen in Nederland, die (nog) niet terechtkomen in de statistiek. ING noemt er twee. De eerste is dat de inflatie voor lagere inkomens sinds 2000 zo’n 33 procent bedroeg en die voor hogere inkomens maar zo’n 27 procent. Dat ligt aan het verschil in bestedingspatronen. Een tweede is dat huurders sinds 2009 hun lasten met 18 procent zagen stijgen (subsidies zijn meegerekend). Kopers zagen hun lasten, door de dalende hypotheekrente, juist afnemen, met een procent of drie. Aangezien lagere inkomens vaker huren, en hogere inkomens vaker kopen, is hier eveneens sprake van een toenemende ongelijkheid in besteedbaar inkomen, nadat de woonlasten zijn betaald.

En dan is er nog het moderne enigma van de statistiek: de zzp’er. Zowel De Nederlandsche Bank als het centraal Planbureau wezen er de afgelopen jaren op dat er een onduidelijkheid is in de zogenoemde arbeidsinkomensquote (aiq): dat deel van het nationaal inkomen dat naar arbeid gaat.Maar er zijn aanwijzingen dat het arbeidsinkomen van zzp’ers daarbij wordt overschat. Als daarvoor wordt gecorrigeerd, dan is de aiq plots veel lager dan gedacht.

Trek die redenering eens door: als het inkomen van zzp’ers statistisch wordt overschat, dan zou het heel goed kunnen dat dit óók invloed kan hebben op de uitkomst van de inkomensverdeling in Nederland. De ongelijkheid is dan groter, en de Gini-coëfficiënt zou dan een stuk hoger liggen.

Het zou mooi zijn als een van de grote instituten deze handschoen oppakt. Misschien dat de uitkomst uitwijst dat het publiek het, intuïtief, al die tijd bij het juiste eind had.

Marike Stellinga is afwezig