Strijd tegen ‘bushmeat-maffia’

natuurbeheer

In het Centraal-Afrikaanse wildpark Dzanga Sangha leven bedreigde bosolifanten naast jagende pygmeeën. „Wij Afrikanen koesterden een traditionele ethiek voor natuurbescherming”.

Foto Hollandse Hoogte

Kleurrijke vlinders fladderen in de paar zonnestralen die doordringen tot de bodem van de vochtige jungle. De stank van rottend vlees hangt bij een drinkplaats waar twee dagen geleden stropers een bosolifant doodden. De biologische cyclus gaat hier bijzonder snel; het gevelde beest is al voor het overgrote deel verslonden door soldatenmieren en andere insecten. „Dit is het hart van het Congowaterbekken”, zegt de Duitse bioloog Johannes Kirchgatter, „een uniek gebied gezien de biodiversiteit”. Johannes Kirchgatter werkt bij het Wereldnatuurfonds (WWF).

Even verderop zit een gorilla met zijn uitpuilende buik leunend tegen een boom in zijn oor te peuteren. Aandachtig volgt hij zijn vrouwtjes die in de omgeving bladeren eten. Kucht hij dan geven ze antwoord. Blijft een respons uit, dan roept hij „hoe, hoe”, en slaat dreigend op zijn borst. Het wildpark Dzanga Sangha is een paradijs voor biologen en een abattoir voor stropers.

Kilo’s ivoor ter waarde van honderdduizenden euro’s liggen opgeslagen bij het hoofdkantoor van Dzanga Sangha in de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR). WWF-medewerker Guilaume Dubosq toont de buit van de oorlog tegen stropers het afgelopen jaar, waartoe behalve slagtanden tientallen geweren behoren en 36.000 metalen klemmen. Wildwachters, of ecowachters zoals ze hier heten, pakten dertig stropers op. „Olifantenstropers zijn van alle nationaliteiten; ze trekken van het ene naar het andere park in Afrika.” Dubosq werkte tot vorig jaar in het Minkébe Nationale park in Gabon, dat onlangs in het nieuws kwam omdat stropers er de afgelopen twaalf jaar 25.000 bos-olifanten afslachtten. Er zijn er nog 7.000 over.

Strijd tegen stropers vormde lange tijd het hoofdbestanddeel van het natuurbeleid in Afrika. Mensen dienden gescheiden te leven van de dieren in beschermde wildparken, luidde de filosofie. Een van de grondleggers van de beschermde gebieden was de Duitse professor Bernard Grzimek. Hij schreef zestig jaar geleden: „Wil een nationaal park zijn wezenlijke karakter bewaren, dan moet het een oorspronkelijke wildernis blijven. Niemand, zelfs niet de inboorlingen, mag er in leven.''

Dergelijke gedachten worden tegenwoordig als achterhaald gezien in Afrika. In Dzanga Sangha voert het WWF een beleid van geïntegreerd landgebruik. „We betrekken de plaatselijke bevolking wel degelijk bij het natuurbehoud”, legt Dubosq uit. Bij zijn eerdere baan in het wildpark van Gabon gooiden nieuwe wegen voor houtkap- en mijnbouwbedrijven het gebied open voor stroperij. „Ons natuurbeleid hier in Dzanga Sangha werkt beter”, zegt Dubosq. „Rond het park werd een bufferzone gesticht waarin houtkap en landbouw zijn toegestaan en waar met traditionele middelen mag worden gejaagd, zoals met pijl en boog, speer en vezelvalstrikken.”

De pygmeeën, of de BaAka zoals ze zich noemen in de Centraal-Afrikaanse Republiek en Kameroen, zijn een van de oudste volkeren ter wereld en maken al sinds mensenheugenis deel uit van het Congowaterbekken. Bevolkingsdruk en aanleg van wegen zetten de inheemse cultuur van de BaAka onder druk en reduceerden hen tot paupers. Maar zij zijn niet verantwoordelijk voor de teruglopende wildstand. „Het jagen door de BaAka in de bufferzone is niet het probleem.”, vertelt Kirchgatter, „Zij zouden iedere dag een olifant kunnen eten.” Hij geeft de schuld aan wat hij noemt „een bushmeat-maffia.” West-Afrikanen eten op grote schaal apen, duikers, ratten, termieten en slangen; stropers en handelaren voorzien in die behoefte.

Kirchgatter van het WWF hielp Dzanga Sangha opzetten. „Ik besteed nu de helft van mijn begroting voor Dzanga Sangha aan mensen.” vertelt hij. „De BaAka zijn het beste voorbeeld van hoe mensen een integraal onderdeel vormen van het ecosysteem, zonder het te vernietigen”. Het WWF draait op voor de jaarlijkse twee miljoen dollar voor onderhoud van het park, evenals de kosten van een mensenrechtenbureau, een jeugdgroep en een radiostation, enhet draagt bij aan gezondheidszorg.

Het lijkt zo vanzelfsprekend om de plaatselijke bevolking te betrekken bij de bescherming van de natuur. Maar in de praktijk wordt het natuurbeleid voor Afrika veelal buiten het continent bepaald, mede omdat daar het merendeel van de fondsen vandaan komt. Een onlangs in Kenia gepubliceerd boek stelt dat Afrikanen zich van natuurbehoud afwenden omdat witten het natuurbehoud voor zwarten bedenken. Het opzienbarende boek heet The Big Conservation Lie van de Keniaanse ecoloog Mordecai Ogada en de journalist

John Mbaria. „Dat paternalisme leidt tot vervreemding van de Afrikanen van natuurbescherming”, vertelt Mordecai. „Het is de laatste vorm van kolonialisme op het continent, geleid door een witte sekte met vaak romantische ideeën over de Afrikaanse natuur.”

De grootste blaam ligt bij de zwakke staatsorganen in Afrika. „Grote buitenlandse organisaties geleid door witten met een superioriteitsgevoel nemen de staat over, omdat de staatsinstellingen in Afrika zo zwak zijn”, zegt Mordecai. „Wij Afrikanen koesterden een traditionele ethiek voor natuurbescherming”. Bossen hadden een spirituele waarde, dieren en bomen kregen respect. „We moeten streven naar terugkeer van dit Afrikaanse model van natuurbehoud.”

De BaAka zijn altijd zo’n natuurvolk gebleven. Ze laten zich overwegend gunstig uit over Dzanga Sangha. „De stichting van het park heeft de buitenstaanders buiten ons woongebied gehouden”, vertelt de oude BaAka-vrouw Henriette Memba. „Natuurbehoud is goed voor ons, anders waren de wilde dieren al lang verdwenen.”

Koert Lindijer reisde op uitnodiging van het WWF naar Dzanga Sangha. De krant betaalde alle onkosten en het WWF faciliteerde hem ter plaatse.