Schrijden er echt zoveel Sirs en Lady’s door de kolommen?

Hoe welbespraakt is Danny Blind? De krant noemde de ontslagen bondscoach maandag in een voorpaginakop een „eloquente voetbalman”. De omschrijving keerde terug in het bijbehorende stuk, zonder veel retorische toelichting. Jammer, want ik heb de gewezen coach ook geregeld een zin horen afmaken, maar of hij Rome zou kunnen bewegen tot opstand tegen Brutus, waag ik toch te betwijfelen.

Een geërgerde lezer klom in de pen: waarom zulke dure woorden? Ook op de redactie was er discussie over; het woord werd dus gebruikt in het stuk, maar was het nu echt het beste voor de kop?

En waarom vermeldt de krant Britse eretitels, vraagt een andere lezer, die meent dat het in stukken over Engeland „ritselt van de Sirs, Lords en Lady’s, waar het ook over gaat: politiek, muziek of sport”. Het lijkt hem „tijd om met deze anglofiele gewoonte op te houden”.

Heeft NRC iets met dure woorden?

Inderdaad duikt geregeld een Sir op in de kolommen, ook in stukken over sport of cultuur. De afgelopen drie maanden kon de lezer de hoed afnemen voor zo’n twintig geridderde Britten, met als uitblinkers acteur Sir Patrick Stewart (tweemaal), de stem van zanger Sir Rod (Stewart, in het cryptogram), de wat minder eloquente voetballer Sir Bobby Charlton (driemaal), voormalig EU-ambassadeur Sir Ivan Rogers (vijfmaal, in het nieuws omdat hij opstapte), schilder Sir Lawrence Alma-Tadema (grote tentoonstelling in Leeuwarden en, tot slot, voor de afdronk, politicus Sir Loel Guinness (van de bierfamilie).

Is dat veel? Nu ja, de NRC-lezer hoeft er nog niet zijn exemplaar van de Almanak van Gotha bij te pakken. Valt dus mee. Maar het blijft oppassen, want zulke termen (en andere woorden en begrippen) laten vallen kan nuttig zijn, maar ook een doorzichtig maniertje van journalisten om te laten merken hoe native of goed ingevoerd ze zijn.

De correspondent te Londen legt uit hoe hij het doet: „Lord of Lady is een titel waar vaak publieke functies aan verbonden zijn: lid van het Hogerhuis, of rechter. Dat is relevant om te vermelden. Sir is een teken van verdienste, dat laat zien dat iemand in hoog aanzien staat. Dat is soms goed om te vermelden, maar als het niet relevant is, laat ik het weg, net als eindeloze adellijke titels die de lezer niets zeggen.”

Overigens, de bewoners van this blessed plot zelf gebruiken titels soms als een politiek wapen, zegt hij: „Conservatieve politici pesten Labour-collega’s met een titel soms door hen bij hun formele naam te noemen, terwijl zij er helemaal niet van gediend zijn.” Waar titulatuur dus al niet goed voor is.

En die andere terreinen? De recensent klassieke muziek noemt geregeld dirigent Sir John Eliot Gardiner, bijvoorbeeld. „Soms nemen we de titel over om de statuur van betrokkene te onderstrepen, maar zeker niet standaard.”

Dat lijkt me verstandig, na een paar keer ‘Sir Paul’ of ‘Sir Mick’ is het lolletje er ook wel vanaf. En wat voegt ‘Sir’ toe aan de prestaties van een muzikant?

De chef Sport zegt: „Bij een stuk over beschuldigingen van doping in het wielrennen vond ik het nuttig de titels van twee betrokkenen te vermelden. Maar dat deden we toen ook in een fotobijschrift, achteraf overbodig.”

Slotsom van de correspondent te Londen: „Titulatuur is een onderdeel van het Britse openbare leven en een van de overblijfselen van de klassenmaatschappij. Dat hoort, zeker met mate, in de krant terug te komen.”

Het speelt dan ook minder in Frankrijk of Duitsland, verzekeren de correspondenten daar. Uit Berlijn komt dit bericht: „Hier speelt het maar zelden, zeker sinds een plagiaataffaire het voorlopige einde betekende van de politieke loopbaan van Karl-Theodor Maria Nikolaus Johann Jacob Philipp Franz Joseph Sylvester Buhl-Freiherr von und zu Guttenberg. In de Duitse pers wordt hij nog wel eens aangeduid als ‘Der Baron’, maar dat is vooral mild spottend. Ik bewaar dat soort titels wel voor portretterende stukken of passages, als het iets zegt over de persoon of hoe er tegen hem of haar wordt aangekeken.”

Dan nog een bulletin uit Parijs, met Brits gevoel voor understatement: „Hier worden titels wat minder vermeld sinds, zo ongeveer, 1789.”

Aanverwante kwestie: hoe geef je namen weer van buitenlandse koningen, keizers en admiraals, in het Nederlands of in de oorspronkelijke taal? Dus had Hendrik de Achtste die zes vrouwen, of was het toch Henry VIII?

Een oud-correspondent vindt dat de krant het laatste zou moeten aanhouden, je schrijft tenslotte ook William (en niet Willem) Shakespeare en prins Charles (en niet Karel). Anderzijds, pausen ontstijgen deze scholastiek: die krijgen al sinds jaar en dag een Nederlandse naam in de krant, of eigenlijk de Nederlandse vertaling van hun Latijnse pausnaam (Johannes Paulus).

Een eindredacteur zegt: „Hier botsen twee gewoontes: traditie is de vernederlandsing van zulke namen, maar recent zie je de neiging om de oorspronkelijke taal te volgen.” Zijn devies: het gangbare taalgebruik aanhouden. De achtste Hendrik is nog goed bekend uit schoolboeken (of van televisie), net als onder anderen de Spaanse Filips (en niet Félipe) de Tweede die per plakkaat de bons kreeg. Maar namen van meer recente vooraanstaande personen worden niet vertaald; John Major is natuurlijk niet herdoopt tot Jan Belangrijk.

Mijn idee: praktisch blijven verdient hier aanbeveling, zolang het niet tot verwarring leidt. Taal is geen tekentafelstad, maar een historisch gegroeid weefsel van straten en lanen, met hier en daar een doodlopende steeg. Een taalrubriek op nrc.nl zou wat mij betreft wél een goed idee zijn; NRC-lezers interesseren zich voor zulke kwesties.

Tot slot blijf ik overigens van mening dat in de Tweede Kamer Latijn alleen dient te worden gesproken aan de interruptiemicrofoon.

Reacties: ombudsman@nrc.nl