Pensioenfondsen zijn allergisch voor beleggingsdwang

Kernaandeelhouders

VNO-NCW ziet voor pensioenfondsen een rol weggelegd als hoeder van het vaderlandse bedrijfsleven. Maar zij hebben een andere plicht: rendement behalen.

Portret van Hans de Boer, voorzitter van VNO-NCW. Foto Jerry Lampen/ANP

Kampt Nederland met een economisch-maatschappelijk probleem? Bel de pensioenfondsen. Die zijn immers zo vermogend, dat ze altijd ergens nog wel geld hebben liggen om de kwaal weg te nemen. Werkgeversorganisatie VNO-NCW pleitte deze week in een brief aan kabinetsinformateur Edith Schippers (VVD) voor een grotere en „meer actieve” rol van de beheerders van het pensioenkapitaal om een ‘uitverkoop’ te voorkomen van vaderlandse ondernemingsparels.

Het is een oude wens. Nederland heeft zoveel kapitaal gespaard. Bij pensioenfondsen gaat het om ongeveer 1.370 miljard euro, bij verzekeraars om nog eens 490 miljard euro. Dan is het toch raar dat sommige projecten maar niet van de grond komen omdat er een gebrek aan kapitaal zou zijn? Projecten zoals de vergroening van de economie, de isolatie van huizen en kantoren of het financieren van de aanleg van wegen.

Het is een klacht die ook in de politiek regelmatig wordt geuit. Het zijn wensen die echter maar mondjesmaat worden gehonoreerd door de professionele beleggers.

Om te beginnen kaatsen zij de bal soepel terug. Als het zo maatschappelijk relevant is, waarom betalen de burgers dat dan niet via de belastingen en de rijksbegroting? Maar er is ook een principieel en een praktisch argument. Het principiële argument is dat een rol als beschermheer van grote ondernemingen in de pensioenwereld wordt ervaren als een vorm van zachte beleggingsdwang. Daar zijn de pensioenbeheerders allergisch voor.

Die dwang botst namelijk met hun plicht om voor pensioengerechtigden en verzekerden de best mogelijke beleggingsrendementen (bij een acceptabel risico) te behalen. Die plicht vloeit, zeker voor de pensioenfondsen, voort uit hun structuur. De pensioenwereld wordt bestuurd door vakbonden en werkgevers. Hoe beter het rendement voor hun deelnemers, hoe meer pensioen de werknemers later krijgen, of hoe goedkoper de pensioenregeling die werknemers en bedrijven samen betalen.

Buiten de banken om

Vanwege de rendementen zijn pensioenfondsen en verzekeraars de afgelopen twee jaar bijvoorbeeld wel royale nieuwe financiers geworden van woninghypotheken. Gezien de ultralage rente zijn woninghypotheken aantrekkelijke beleggingen. Daar hebben ze miljarden extra geïnvesteerd en toegezegd. Ook dat was een jarenlange wens van politici en werkgevers: extra geld voor de huizenmarkt, buiten de banken om, zodat de huizenprijzen uit het slop zouden komen. Daar sloten wens en werkelijk rendement mooi op elkaar aan.

Om die rendementen te maken én om hun risico’s te spreiden zijn met name de pensioenfondsen op de aandelenmarkten wereldbeleggers geworden. Zij bezitten bescheiden belangen in vele honderden, soms duizenden bedrijven. Daarom hebben zij in de meeste grote Nederlandse beursgenoteerde bedrijven doorgaans geen gezamenlijke belangen die boven de 5 procent van het aandelenkapitaal uitgaan.

Als de pensioenwereld een serieuze rol als beschermheer wil spelen, zou men als kernaandeelhouder zeker 15 à 20 procent van de aandelen moeten hebben per bedrijf. Dat was twintig jaar geleden ook al een politieke én een werkgeverswens. Economische bescherming door grote betrouwbare aandeelhouders moest de Nederlandse juridische beschermingsmaatregelen vervangen. Die juridische trucs werden deels ontmanteld. Ze voldeden niet aan het ideaalbeeld van modern ondernemingsbestuur in een open economie. Nu pleit VNO-NCW weer voor twee sloten op de deur: juridische bescherming én Nederlandse kernaandeelhouders. Twee sloten, wel zo veilig.