Opinie

Nederland oh Nederland – jij bent niet meer als toen

Als Nederland voetbalde hadden oma’s en hangjongeren plotseling een gezamenlijk gespreksonderwerp. Vandaag de dag is alle saamhorigheid zoek. De kinderen van Oranjefan vinden hem zielig.
Foto ANP

Als zesjarige kwam ik in 1976 tussen twee WK-finales door in Nederland aan. In 1986 ging ik voorgoed weer weg, en inmiddels woon ik al jaren in Parijs. Ik heb me nooit Nederlander gevoeld, mijn cursus integratie is mislukt, behalve in één opzicht: ik ben nog steeds fan van Oranje. Decennialang is dat een dankbare ervaring geweest, zeker als ik kijk naar mijn Engelse vrienden die een slecht huwelijk met hun nationaal voetbalelftal hebben. Als Oranje speelde, zat bijna het hele land gezamenlijk voor de tv en werd zelfs ik even een vaderlandslievende Nederlander. Maar nu is Oranje waardeloos. Wat voor maatschappelijke functie had het goede Nederlands elftal, en wat gebeurt er nu die functie verdwijnt?

Historici zullen de glorietijd van het Nederlandse voetbal als de periode 1974-2014 definiëren, maar de piekjaren van Oranje als verbindend nationaal element liepen van 1988 tot en met 2000. Op het WK 1974 was er nog relatief weinig media-aandacht voor voetbal. Maar toen Nederland in 1988 het EK won, stroomden straten en pleinen vol voor het grootste volksfeest sinds de Bevrijding. Vanaf die zomer werden toernooien een nationaal ritueel: ook als je niet van voetbal hield, keek je met familie, bij de buren of in het café. Ik vond het vaak jammer dat ik als journalist de toernooiwedstrijden van Oranje in het stadion vanaf de doodse perstribune beleefde; liever had ik met vrienden in Nederland gekeken. Dat was een ervaring van gedeelde nationale vreugde die je in weinig andere landen kon meemaken. Toen het EK 2000 in de Lage Landen plaatsvond, hing in België hier een daar de nationale vlag (op zich al bijzonder), maar in Nederland werden hele volksbuurten in het oranje uitgedost. Sommige mensen klaagden zelfs over een ‘totalitaire Oranjegekte’: wie weigerde zijn huis te versieren, en daarmee de nationale eenheid afwees, kon klappen krijgen van de buren.

Die gekte kwam deels omdat het Nederlands elftal zo leuk was: mooi voetbal, vaak gespeeld door voetballers die gewone jongens waren gebleven. Het Cruijffiaanse conflictmodel (ruzie is goed) kostte Oranje soms weliswaar toernooien, maar het was wel uitermate Nederlands, een deel van ’s lands cultureel erfgoed, net als de vrolijke oranje shirts. Als Oranje voetbalde, bestond Nederland. Het team gaf Nederlanders saamhorigheid en zelfvertrouwen.

De totalitaire Oranjegekte was ook de uitdrukking van een bovenmatig tevreden en verenigd land. Nederland had in de jaren 1988-2000 de wind mee. De economie groeide, veel mensen gingen al op hun vijftigste met pensioen om ‘leuke dingen’ te doen, en na de Koude Oorlog was er geen vijand meer. Rechtse en linkse partijen konden bijna wrijvingsloos samen regeren omdat Nederland een ongewoon saamhorige maatschappij was. De verzuiling was voorbij, er was hier geen taalstrijd als in België, geen klassenstrijd als in Engeland, geen erfenis van burgeroorlog als in Spanje, weinig inkomensongelijkheid, en relatief kleine regionale verschillen.

Nederland was een familie, met het fietsende koningshuis aan het hoofd. De meeste blanke Nederlanders (en over niet-blanken werd tot 2000 amper gesproken) woonden in eenzelfde soort rijtjeshuis, fietsten naar het werk en keken samen naar Oranje. Op het veld stonden veel spelers van Surinaamse en Antilliaanse afkomst, maar zelden Turken of Marokkanen, en de tribunes en cafés waren bijna geheel autochtoon. Een voetbaltoernooi was een blank volksfeest, net als Sinterklaas.

Ook in een globaliserende wereld bleef het Nederlandse voetbal tot de eeuwwisseling een onmiskenbaar Nederlandse cultuuruiting. De antropoloog Peter van der Veer schreef in zijn beroemde essay ‘Nederland bestaat niet meer’ in De Gids in 2000: „Het ware Oranjegevoel valt alleen bij het voetballen te ontdekken. Dit is naast de Van der Ende-producties de enige vorm van vermaak van eigen bodem dat door een groot deel van de Nederlanders geconsumeerd wordt.”

Dit Oranjetijdperk eindigde in september 2001. Tien dagen voordat de zelfmoordcommando’s in de VS het Nederlands politieke model aan het wankelen brachten, deed het Ierse elftal hetzelfde met het Nederlands voetbalmodel: Oranje verloor in Dublin en miste het WK 2002. De traditionele ‘Hollandse school’-stijl bleek niet meer te functioneren. Sindsdien zagen we nog slechts heel incidenteel het Nederlandse voetbal zoals Cruijff het bedoeld had: tegen Italië en Frankrijk in 2008, de tweede helft tegen Brazilië in 2010, en 28 glorieuze minuten tegen Spanje in Salvador in 2014. Nederland bleef winnen, maar na 2001 meestal met een verdedigende stijl welke op die van de meeste andere landen leek. Het traditionele Nederlandse voetbal bestaat allang niet meer. Het Oranjegevoel zag je van 2001 tot 2014 amper in het saaie spel, maar alleen nog in de huiskamer. De halve finale van het WK 2010 tegen Uruguay trok 12,3 miljoen Nederlandse kijkers, ongeveer driekwart van de bevolking – een proportie die je in bijna geen ander land zult vinden.

En nu bestaat ook de kwaliteit niet meer. Het Nederlands elftal is zelfs gênant geworden. Mijn kinderen zijn voor Frankrijk, en vorige week zaterdagavond keken we thuis de Franse routineoverwinning tegen Luxemburg. Intussen volgde ik op Twitter de Nederlandse afgang in Bulgarije. De kinderen juichten voor Frankrijk, ik kreunde, en op een gegeven moment merkte ik: zij vinden me zielig, zoals ik vroeger mijn Engelse voetbalvrienden zielig vond. In Nederland heeft Oranje inmiddels een nieuwe maatschappelijke rol gekregen: als object van Nederlandse grappen.

De totalitaire Oranjegekte komt misschien nooit meer terug. Ooit zal Oranje wel weer beter zijn dan Bulgarije en IJsland, maar nog een WK-finale halen met Hollands voetbal zit er niet in. De toekomst van Nederland is waarschijnlijk die van een nostalgisch voetballand à la Hongarije.

Dat is een gemis: voetbaltoernooien waren periodes van nationale verbinding. Bij de bushalte hadden oma’s en hangjongeren plotseling een gezamenlijk gespreksonderwerp. Bijna iedereen in Nederland – soms zelfs de Marokkaanse en Turkse schoonzonen – werd tijdens toernooien even opgenomen in de nationale familie. Dat proces zie je in andere landen ook: in mijn boek Dure spitsen scoren niet toonde ik aan dat het aantal zelfmoorden in Europa zakt tijdens internationale voetbaltoernooien, waarschijnlijk omdat eenzame mensen zich dan minder alleen voelen. Maar nergens produceerde het nationale elftal zoveel nationale eenheid als in Nederland. Maar laten we het niet overdrijven. Het voetbal is meestal slechts een reflectie van een maatschappij; zeer zelden verandert het de maatschappij. Nederland is nog steeds een bovenmatig tevreden, verenigd land, alleen nu met een waardeloos voetbalteam.