Kijkt u eens

Tegenover me zit een vrouw van een jaar of zestig. Ze komt vaker met vage klachten. Vorige week had ze last van een hoofdpijn die ze niet kon plaatsen. Uiteindelijk bleek het om een rotte kies te gaan. Een jaar geleden heb ik haar met spoed naar de eerste hulp gestuurd omdat ze al dagen last van een pijn op de borst had. Een bakje kapsalon was verkeerd gevallen. Ze heeft iets voor me meegenomen vandaag. Een blauw boterhamzakje met daarin iets wat ze niet eerder heeft gezien. Gisterenavond had ze een hevige buikpijn. Het deed haar een beetje denken aan een wee.

„Hier dokter maak maar open”, zegt ze. Op mijn bureau ligt het blauwe boterham zakje. In het zakje bevindt zich een papier, waar iets ingewikkeld is.

„Maakt u het maar open”, zeg ik. De knoop wordt langzaam en secuur opengemaakt. Er komt nu een penetrante geur vrij. Het papier wordt langzaam open gewikkeld. Het mysterie is ontrafeld. Er ligt poep op mijn bureau. Poep die keurig ingepakt is en nu een aroma achterlaat in de spreekkamer.

„Het is poep”, zeg ik. Grote ogen kijken me nu aan. Nogmaals kijkt de dame aandachtig naar haar eigendom. „Weet u het zeker?” zegt ze verbaasd.

Ik twijfel hoe ik haar moet overtuigen. Zij weet immers uit welke lichaamsgedeelte het ingepakte goedje komt.

„Weet u het honderd procent zeker dokter dat het gewoon poep is?” Haar grote ogen kijken mijn kant weer op.

„Ik weet vrijwel zeker dat dit poep is, het ziet eruit als poep en het ruikt als poep” zeg ik.

„Oh, dat is dan ook opgelost.” Zegt ze met een glimlach

Ze pakt haar jas en tas en maakt aanstalten om haar dag te vervolgen. Het boterhamzakje blijft pontificaal liggen op mijn bureau. De geur heeft zich inmiddels in elke hoek van de spreekkamer genesteld.

„Vergeet u niet iets?” vraag ik beleefd. Ze kijkt even om zich heen. Ze controleert haar tas, en haar jas en kijkt nog even naar het bureau. „Oh het zakje, nee dat mag u hebben. Ik heb het niet meer nodig.”

Huisarts schrijft over zijn praktijk.