In de wetenschap was en is fraude een onaanvaardbare ‘fout’

In de bijlage Wetenschap (18/19 maart) spreekt Lucas Brouwers terloops over ‘fouten’ van wetenschappers. Dat is een parapluterm met veel betekenissen, zoals vergissen, tekortschieten, falen en opzettelijk misleiden. Fouten hebben meestal geen neutrale betekenis en hebben vaak betrekking op het handelen van mensen. Daardoor komt behalve de betrouwbaarheid van hun werk ook de vraag over schuld en onschuld aan de orde.

Brouwers schrijft over Paul Kammerers bijdrage aan de theorie van Lamarckiaanse overerving. Dat is een omstreden onderwerp, omdat Kammerers studies zijn gebaseerd op waarnemingen die al bijna honderd jaar ter discussie staan.

In het artikel wordt dit door Brouwers met grote voorzichtigheid besproken. Dat is onnodig gezien de overtuigende biologische bewijslast die laat zien dat Kammerer zijn gegevens destijds manipuleerde.

De beoordeling van de wetenschappelijke kwaliteit van Kammerers werk behoort inhoudelijk tot het domein van gespecialiseerde biologen. Deze kwamen 90 jaar geleden op grond van degelijk onderzoek al tot de conclusie dat Kammerer zijn waarnemingen had bewerkt om zijn theorie sluitend te maken. Recent onderzoek van Jacques van Alphen en Jan Arntzen bevestigt, langs een andere biologische weg dan hun voorgangers, dat er bij Kammerer sprake was van het vervalsen van gegevens. Dit is geen ‘Whig interpretation of history,’ waarbij het verleden wordt beoordeeld met behulp van de tegenwoordige kennis, maar een constatering: fraude was en is een onaanvaardbare ‘fout’ voor het bedrijven van wetenschap.

Waarom dan toch die omzichtigheid over deze al bijna 100-jarige casus?

Dat lijkt vooral het resultaat te zijn van Arthur Koestlers The Case of the Midwife Toad (1971), een hagiografie over Kammerer, waarin een ingewikkelde complottheorie met vooringenomenheid, suggesties en verdachtmakingen wordt uitgewerkt. De geniale, excentrieke Kammerer is het slachtoffer van een kwaadaardige, internationale samenspanning. Van een kritische biologische analyse van het werk van Kammerer is in Koestlers polemisch geschrift geen sprake. Het boek is mede daarom geen serieuze bijdrage aan de wetenschapshistorie.

De discussie gaat sedert Koestler niet alleen over het wetenschappelijk fundament van Kammerers waarnemingen, maar vooral over de persoon Kammerer: Koestlers zogenaamde ‘slachtoffer van intriges’. Dit heeft het debat over de betekenis van Kammerer als wetenschapper vervuild en de gepleegde fraude te veel naar de achtergrond gedrukt. Het feit dat hij fraudeerde is voor het bedrijven van wetenschap relevant. De vraag waarom hij fraudeerde is dat niet, maar krijgt terecht veel ruimte van wetenschapshistorici die het ontwikkelingsproces van wetenschappelijke inzichten beschrijven. Het is opmerkelijk dat het complotdenken van Koestler het geven van een moreel oordeel over de fraudeur nog steeds bemoeilijkt.

Lucas Brouwers haalt de Chileense bioloog Alexander Vargas aan die Kammerer recent de grondlegger van de epigenetica heeft genoemd en hem beschouwt als een “outstanding Neo-Lamarckian scientist”. Vargas heeft de betrouwbaarheid van Kammerers werk echter niet onderzocht; in zijn artikel herhaalt hij Koestlers verdachtmakingen van critici en gebruikt hij Kammerers werk kritiekloos. Zo stelt Vargas dat Kammerers “experiments specifically suggest authenticity”. Dat is geen biologisch uitgangspunt, maar een persoonlijke overtuiging. Zijn gevoelens over Kammerer zijn bepalend voor de betrouwbaarheid die hij aan Kammerers waarnemingen toekent. Ook dat is een ‘fout’ voor een wetenschapper.