Geduldig op zoek naar het paradijselijke

Theo Mulder (1928-2017) voelde zich pas op latere leeftijd vrij te beeldhouwen zoals hij het zelf wilde. Zijn werk kom je in Nederland overal tegen.

Theo Mulder (rechts) werkend aan ‘Vechtende kalkoenen’ uit1965, dat in het Rosarium in Utrecht staat. Links ‘Kenau en de Haarlemse vrouwen’ uit 1973.

Er staan tientallen beelden van Theo Mulder in Nederland. Op pleinen en in parken; voor scholen en kerken en gemeentehuizen. Het zijn veelal figuratieve voorstellingen, enigszins geabstraheerd. Dieren bijvoorbeeld, grutto’s en ganzen, vogels die hij eindeloos heeft bestudeerd en geteld in de weilanden, want hij was behalve beeldhouwer ook vogelaar en fotograaf. Mulder maakte veel werken in opdracht, onder meer het monument ter herdenking van de vliegramp met een Dakotatoestel dat op 25 september 1996 na motorpech in de Waddenzee stortte.

„Lyrisch expressionistisch” noemde Mulder zijn werk wel eens. Niet dat we aan zulke woorden te veel betekenis moesten hechten, want ‘Mul’, zoals hij werd genoemd, schuwde vaste uitdrukkingen, zo veel is duidelijk uit de films die over hem zijn gemaakt. Mulder spreekt voorzichtig, langzaam, tastend, alsof hij de woorden uit steen hakt. In de documentaire ‘Mul’ van Tijs Tinbergen en Jan Musch zwoegt hij op een beeld van rotganzen, in korte broek en op sandalen mompelend dat hij zoekt naar een „impressie” of „illusie” van ganzen. Om eraan toe te voegen: „Ach God, het wordt zo gauw geouwehoer als je erover gaat praten.”

Mulder werd in 1928 geboren in Haarlem en overleed op 8 maart in Laren. Vriend Piet Zomerdijk noemde hem op de uitvaart onder meer „veelzijdig, handig, egocentrisch, humorvol, soms gemakzuchtig, causeur, charmeur, romanticus, amateur-psychiater, ras-verteller, onverschrokken en slordig”. In zijn laatste weken werd Mul veelvuldig bezocht door zijn vier kinderen, en door hun moeder, Mieke Holt, van wie hij in de jaren 70 was gescheiden. De kinderen bleven achter bij hun moeder in Haarlem, Mul vertrok naar een boerderijtje even buiten Hippolytushoef. Het huis, vlakbij de Waddenzee, had het gezin ooit gekocht als vakantiewoning, met de opbrengst van de verkoop van een ergens opgedoken Atlas van Blaauw. Mul zou na zijn scheiding nog vele amoureuze relaties aangaan. Tinbergen: „Mul was niet zomaar een beeldhouwertje. Hij was een universeel, groot mens. En een womanizer.”

Mulder is geen wereldberoemd beeldhouwer geworden. „Hij heeft zelf de periferie opgezocht”, zegt zijn oudste zoon Floris. Een man die zich snel in het nauw gedreven voelde door opinies en dogma’s van anderen, zéér op zijn eigen vrijheid gesteld. „Hij leefde bij de dag. Hij fietste overal doorheen”, zegt zijn jongste zoon Gijs. Mulder zei altijd veel te hebben opgestoken van zijn leermeesters op de Amsterdamse Rijksacademie, maar óók jaren te hebben gezucht onder de idee dat je ernstig en „met gefronste wenkbrauwen” meesterwerken moet maken. Pas op latere leeftijd voelde hij zich vrij het werk als een „spel” te zien. „Toen begreep ik dat ik om beelden te maken zoals ik het wilde, het gevoel moest hebben dat ik had toen ik als jongetje aan het spelen en knutselen was”, zegt hij in een boek over hem.

Hij kwam uit een geheel niet kunstzinnig milieu – zijn vader was bankbediende – en werd beeldhouwer onder invloed van twee mannen: zijn broer, die een zeer levendige fantasie had en met wie hij als kind onafscheidelijk was, en Mari Andriessen, de dertig jaar oudere beeldhouwer die hij in de oorlog leerde kennen, maker van De Dokwerker in Amsterdam. Andriessen introduceerde hem bij kunstenaars en Mul was vaak aanwezig bij gesprekken in Andriessens atelier. Zoals toen de jonge, beeldhouwende Beatrix op bezoek kwam, met Claus. „Heel informeel was ze”, zegt Mul in een documentaire . „Ze zei de gekste dingen.” Hij haalt herinneringen op aan een sessie op kasteel Drakensteyn, waar Beatrix en Andriessen voor elkaar poseerden. Een bezorgde Andriessen zag Beatrix „aan de klei graaien” en vroeg of hij wellicht wat aanwijzingen kon geven. Wat volgde was volgens Mul een „barse afwijzing” met de woorden „Dat kunt u wel doen maar daar luister ik toch niet naar”. Mul: „Maar het was geen barse meid, hoor. Ze luisterde behoorlijk goed.”

Gevraagd naar zijn thematiek noemde Mul graag de „onvervulbaarheid” van de liefde, de „hunkering” naar paradijselijke liefde en ook wel de merkwaardige levensdrift van mensen en dieren die uiteindelijk toch allemaal op weg zijn naar de dood. „Ik ga de dood steeds meer ervaren als een bevrijding”, zegt hij in een radiointerview van twintig jaar geleden. Om er meteen weer aan toe te voegen: „Maar ik heb wel veel lol in mijn leven, hoor.”