Externe inhuur

Rekenkamer: ‘Gemeentebeleid externe inhuur is onsamenhangend en warrig’

Het beleid van de gemeente voor externe inhuur is onsamenhangend, onvolkomen en warrig, schrijft de Rekenkamer Amsterdam in een deze week uitgebracht rapport. Ondanks toezeggingen van het college in 2008 om externe inhuur te verbeteren, is er „geen goed beeld van de omvang en samenstelling van de externe inhuur”, schrijft de Rekenkamer. De kosten blijven wel jaarlijks stijgen: in 2015 bedroegen deze 218,6 miljoen euro; in 2016 naar schatting 237,4 miljoen.

In het rapport schrijft de Rekenkamer dat externe inhuur ook ingewikkelde materie is. De gemeente heeft te maken met toenemende taken, terwijl ze ook streeft naar een compacte en flexibele organisatie. Al in 2010 ondernam het college stappen om de situatie te verbeteren. Zo kwamen ze 2015 met een protocol waarin tarieven en inhuurrichtlijnen werden vastgesteld.

Maar de regels worden amper nageleefd, toont de Rekenkamer. „Waarom niet is een intrigerende vraag”, zegt Jan de Ridder, directeur van de Rekenkamer Amsterdam. Volgens hem komt het vooral omdat de definitie van externe inhuur niet duidelijk is. De Ridder: „En er worden te snel mensen ingehuurd zonder daar strategisch over na te denken.” Zo richtte de gemeente toen er grote problemen ontstonden bij het Noord/Zuidlijn-project de blik algauw naar buiten. „Dat is begrijpelijk, maar dan moet er daarna wel worden gekeken hoe ze dit weer in het gareel krijgen en laten aansluiten bij een strategische visie op externe inhuur.”

Ook blijkt uit het rapport dat raadsleden onvoldoende worden geïnformeerd over de kosten, omvang en samenstelling van de externe inhuur. In 2013 nam dit al af; in 2015 daalde het tot een dieptepunt. Volgens De Ridder heeft dit onder meer te maken met lastig te construeren cijfers. De vijf aanbevelingen die de Rekenkamer in het rapport geeft – onder meer betere definities en registratie en een ondersteunend ICT-systeem voor de hele organisatie – neemt de gemeente over.