Europese Unie zestig jaar

Wetenschap profiteert sterk van EU – en dat weet niet iedereen

In de berichtgeving over zestig jaar Europese Unie wordt stelselmatig een belangrijk succes van de Europese samenwerking buiten beschouwing gelaten. Dat de EU een bloeiende en intensieve samenwerking op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek heeft weten te entameren wordt te weinig verteld. De kaderprogramma’s, uitmondend in Horizon 2020, de persoonsgebonden subsidies voor excellente wetenschappers (de European Research Council grants) en ook de Marie Sklodowska-Curie-beurzen hebben evident het niveau van de Europese wetenschap naar een hoger plan getild.

Werd er in de beginjaren van de programma’s erg geklaagd over de bureaucratische processen rond de subsidieaanvragen, nu overwegen de positieve oordelen. Bij het onlangs gevierde tienjarig bestaan van de European Research Council (ERC) werden de successen nog eens krachtig onderstreept.

Niet alleen de landen met een sterke wetenschappelijke status (zoals het nu uit de EU vertrekkende Verenigd Koninkrijk, Nederland en andere lidstaten in Noordwest-Europa) hebben veel profijt van deze programma’s, ook de nieuwe lidstaten krijgen kansen hun wetenschappelijke achterstand in te lopen.

Zwitserland, dat als niet-lidstaat participeerde in de Europese programma’s, realiseert zich inmiddels terdege hoeveel baat zij hebben gehad van de Europese programma’s. Nadat de Zwitsers, vanwege een xenofobe referendumuitslag in 2014 werden uitgesloten van participatie aan de ERC-programma’s, zagen zij een aanzienlijke daling van hun wetenschappelijke productie.

Voor de wetenschap, een belangrijke motor voor onze economie en welvaart, is het duidelijk: de EU is een zegen. Wetenschappers zouden zich hierover vaker publiekelijk moeten uitspreken.