Een tegenpool van Donald Trump

Foto AP

David Rockefeller, een van de laatste leden van de twintigste eeuwse-Amerikaanse geldadel, overleed vorige week maandag op 101-jarige leeftijd. Rockefeller, wiens vermogen werd geschat op 3,3 miljard dollar, was een diplomaat van het kapitalisme. Hij zag het als zijn taak de Amerikaanse invloed in de wereld te verbreiden, wat dan steeds ook ten goede kwam aan bank die hij leidde, Chase Manhattan.

De laatste kleinzoon van de olietycoon en negentiende-eeuwse robber baron J.D. Rockefeller groeide op in paleizen van huizen en met stoeten aan bedienden. Een auto met chauffeur reed achter hem aan als hij naar school wilde rolschaatsen.

Terwijl twee van zijn vijf broers de politiek ingingen, zag David meer in de gelddiplomatie. De bankdirecteur werd in de jaren zestig en zeventig als een gelijke ontvangen door koningen, beroemdheden, presidenten en dictators, van Nelson Mandela tot Saddam Hoessein.

Spijt van zijn banden met potentaten had Rockefeller niet. Achteraf gezien, zei hij in 2003 in een gesprek met NRC, was de Chileense leider Pinochet een dictator. Maar ja, achter diens opponent Allende stond de Sovjet-Unie: „Op grond van wat wij toen wisten, bood Pinochet een beter perspectief.” Rockefeller kwam ook onder vuur door zijn steun aan de sjah van Iran, wiens vlucht naar de VS in 1979 leidde tot het gijzeldrama in de Amerikaanse ambassade in Teheran.

Samen met Henry Kissinger stond Rockefeller aan de wieg van clubs voor de mondiale machtselite, zoals de Bilderbergconferentie. Ook was Rockefeller, uit de generatie van ‘noblesse oblige’, een gul mecenas. Zo gaf hij in 2005 100 miljoen dollar aan het door zijn ouders opgerichte Museum of Modern Art in New York, en later eenzelfde bedrag aan Harvard.

Met zijn levenslange streven naar internationalisering, gekoppeld aan zijn mildheid, aristocratische manier van doen en de discretie waarmee hij de 150.000 contacten uit zijn legendarische Rolodex onderhield, was deze oude patriarch in veel opzichten de tegenpool van de patriarch die nu in het Witte Huis zit.

In zijn memoires schreef hij: „Sommigen karakteriseren mijn familie als ‘ínternationalisten’ die met anderen overal ter wereld samenzweren om een meer geïntegreerde mondiale politieke economische structuur te bouwen. Als dat de aanklacht is, dan ben ik schuldig, en ben ik daar trots op.”