Column

Burgers en politici, leest Aristoteles

We snappen niets van nationale identiteit en discriminatie als we niet te rade gaan bij Aristoteles, vindt Beatrice de Graaf.

Wat is een burger en wie is het niet? We snappen niets van nationale identiteit en discriminatie als we niet te rade gaan bij Aristoteles. Deze Griekse wijsgeer, die leefde in de vierde eeuw voor Christus, was het immers die in zijn Politica uitlegde dat je burgerschap het best kunt definiëren aan de hand van een aantal gezamenlijk afgesproken criteria. Anders bleef het maar een rommeltje met al die rondreizende vreemdelingen, would-be Atheners, vrouwen en ander volk. Een burger, een lidmaat van de Atheense polis, zei Aristoteles, is iemand wiens ouders ook burgers waren. En – volgens Aristoteles-uitleggers – van het mannelijk geslacht.

In het jaar 346 voor Christus besloot de Atheense gemeenschap om alle burgers nog eens tegen het licht te houden. Allerlei crises, oorlogen en geruchten van oorlogen hadden de polarisatie en de spanningen in de gemeenschap doen toenemen. Er was behoefte aan helderheid: was iedereen wel echt de legitieme burger die hij voorgaf te zijn? Schuilden er geen verraders onder de ingezetenen? Er waren de laatste tijd immers nogal wat nieuwe burgerschappen per decreet verleend aan mensen die van buiten de stad kwamen, die via militaire dienstverlening, geld, of anderszins het burgerschap kado hadden gekregen. Maar was dat allemaal correct verlopen? Konden sommige vermeende burgers niet maar beter weer als slaaf worden verkocht?

Dit soort debatten – even actueel als tijdloos – behoort tot de canon van onze grieks-romeins-joods-christelijke beschaving. Aristoteles’ ‘Politica’ en de geschiedenis van het Oude Athene, de bakermat van de democratie, zouden tot verplicht leesvoer van elk nieuw Kamerlid moeten worden gemaakt.

Er zouden nog genoeg jongeren moeten zijn die dit voor het merendeel van onze politieke partijen zo relevante gedachtengoed op school hebben meegekregen (zoals Thierry Baudet). Officieel wordt er op de gymnasia nog altijd onderwijs gegeven in de klassieke talen Latijn en Grieks, en in de belangrijkste teksten uit de Grieks-Romeinse oudheid. Toch houdt dat niet over. Ik ben nu al verschillende ouders en scholieren tegenkomen die het betreurden dat in hun gymnasiumopleiding de uren Grieks werden gereduceerd of zelfs afgeschaft. De vicieuze cirkel van een tekort aan leraren enerzijds en demotivatie en kennisgebrek bij scholieren anderzijds is heel lastig te doorbreken.

Dat concludeerden de classici Ineke Sluiter en Caroline Kroon al in 2010, toen zij in opdracht van de staatssecretaris van OCW de stand van het onderwijs in de klassieke talen onder de loep namen. De uren Grieks zijn meestal facultatief, komen bovenop het al bestaande aanbod, en vallen dan als eerste af. De paar doorzetters onder de scholieren worden al snel weggezet als nerds. En wat is de relevantie van dit vak als je voor een vijftal scholieren een dure docent moet betalen?

Ik weet niet of ik hiermee de problematiek precies vang, ik heb er geen onderzoek naar gedaan, maar Kroon en Sluiter wel. Zij stellen in hun Eindrapport (2010) dat gymnasiumopleidingen veel harder moeten trekken aan de ‘kracht van de vanzelfsprekendheid’. Ze zouden de animo en motivatie van leerlingen kunnen opkrikken door hen voortdurend ‘onder te dompelen in Griekse en Latijnse taal en cultuur’. Dus niet alleen proefvertalingen (om aan de idioot strikte eisen van het Centraal Schriftelijk Eindexamen te voldoen), maar ook discussies over burgerschap in het oude Athene.

Hoe relevant die studie is blijkt uit het recente boek van de Utrechtse hoogleraar Oude Geschiedenis Josine Blok, Citizenship in Classical Athens, dat deze week bij Cambridge University Press verscheen. Daarin legt zij uit dat Aristoteles helemaal verkeerd is begrepen. Burgerschap ging niet alleen over meteinai (het burger-zijn), maar ook om metechein (handelen als burger). Handelen als burger kon betrekking hebben op een politiek ambt – wat inderdaad alleen voor mannelijke ingezetenen was weggelegd. Maar buiten die beperkte politieke arena was er zo veel meer. Het zijn van burger, het optreden als burger, impliceerde ook allerlei juridische, sociale, culturele en religieuze voorrechten. En die genoten vrouwelijke burgers ook. Aristoteles ging het alleen om het politieke proces en daarom was hij niet in vrouwen geïnteresseerd, maar hij heeft nooit gezegd dat vrouwen geen burgers konden zijn. In deze nieuwe Blokkiaanse lezing mochten vrouwen veel méér dan altijd is gedacht. Vrouwen die burgers waren namen volop deel aan de hiera, de religieuze plechtigheden, en waren gelijkwaardig in de ogen van de goden – niet onbelangrijk in de wereld van toen.

Kortom, Blok demonstreert hoe de studie van klassieke talen een blijvende en cruciale verdieping biedt voor onze debatten over burgerschap, discriminatie en uitsluiting. Om met de filosofe en classica Martha Nussbaum te spreken, als wij de cultiverende kracht van onze beschaving willen beschermen moeten we de taal en cultuur van de Oudheid serieus nemen – op school, op de lerarenopleidingen en aan de universiteiten. Ons en onze kinderen onderdompelen. En die paar uurtjes Grieks verdedigen tegen de barbarij.

Beatrice Graaf is hoogleraar Geschiedenis van de internationale betrekkingen in Utrecht.