Column

Adieu

Tom Boonen rijdt deze zondag zijn laatste Ronde van Vlaanderen. Wat blijft na vijftien profjaren is weemoed.

De onsterfelijke charmepedaleur Rik Van Looy zei me eens na Parijs-Roubaix: „Winnen op zich was niet mijn geluk. Mijn geluk was voorop rijden, soleren, het superieure gevoel de wereld achter me te hebben gelaten. Toen ik over de streep kwam, werd ik besprongen door een raar soort melancholie. Ik wist dat ik niet meer alleen zou zijn in mijn vreugde.”

Postcoïtumnostalgie is als smeulend vuur dat niet wil doven. Dat wordt nu ook het gevecht van Tom Boonen. De Vlaamse grootmeester van het klassieke voorjaar rijdt deze zondag zijn laatste Ronde van Vlaanderen die hij driemaal eerder won. Het is zijn laatste koers in België. Volgende week gaat hij in Roubaix nog voor een vijfde kassei en dan is het helemaal afgelopen. De fiets gaat definitief het schuurtje in, de Lamborghini wordt voorgereden.

Wat blijft na vijftien profjaren is weemoed. Boonen zien demarreren op de Oude Kwaremont was kijken naar lachende kasseien. Terwijl de meeste renners van de fiets moesten, zweefde hij in een rotvaart over de hatelijke ‘kinderkoppen’, alsof ze daar lagen als een lijn van Mondriaan. Als kasseivreter kende deze Belg zijn gelijke niet.

Zijn palmares is indrukwekkend: zowat alle Vlaamse klassiekers gewonnen, vier keer Parijs-Roubaix, etappezeges en groene trui in de Tour, wereldkampioen in Madrid. Grootser dan zijn palmares was zijn stijl: altijd aanvallen. Geen waaier hield hem tegen. Daarnaast cultheld: hele dorpen in katzwijm, vrouwen voorop. Het leek alsof hij magnetisch geladen was voor eindeloze knuffelsessies. Het mysterie der contrasten in het leven van een flandrien. Boonen was een atletisch gevaarte, maar wie hem ’s avonds in een hotelletje tegenkwam, zag een verstilde renner die het hoge woord afstond aan zijn knechten.

Ik keek graag naar hem. Naar dat hoofd als een kuipje met achteraan nog een paar plukken haar. Hij deed me altijd denken aan een glimp van Vladimir Lenin. Groter en struiser natuurlijk, maar toch ook un homme pensif. De revolutie zocht hij niet, maar in dwarsigheid mocht hij naast Jan Raas staan. Van de ene kant was hij een materiaalfreak die uren aan zijn fiets kon prutsen en anderzijds buitelde hij als een feestbeest door het leven dat dansen en drinken en een coke-lijntje niet uit de weg ging.

Man for all seasons.

In de magere jaren voor ronderenners hield Boonen het cyclisme in de Lage Landen op niveau. Mede door zijn sexy uitstraling op en naast de fiets was hij de laatste vijftien jaar een wervende affiche voor het wielrennen. Tempobeul en sprinter die een hekel had aan zuinig fietsen. Samen met Fabian Cancellara injecteerde hij de voorjaarsklassiekers tot een strijd op leven en dood. De Taaienberg en de Berendries waren evenveel slagvelden. Renners bloedend in de greppel, fietsen die als oud ijzer bleven liggen.

Boonen was een moderne, zelfs mondaine renner die tot stervens toe kon afzien. En in contrast: fashionrevolutionair. Alleen in de zorg voor zijn materiaal was hij ouderwets. De fietsen van Boonen, altijd picobello, hadden zelfs een eigen geur: bloesem.

Zijn voluntaristisch temperament (altijd willen rijden) wordt benaderd door Greg Van Avermaet en overtroffen door Peter Sagan. De laatste is ook een unieke verschijning, maar is niet de reiger op de fiets die Boonen was. Zondag, in zijn laatste Ronde, zullen ook de kasseien Tom eerbiedig groeten.

Hugo Camps is journalist, columnist en schrijver.