Recensie

Toeval en wedijver gaven Europa vorm

In de 17de eeuw nam Europa in economisch en wetenschappelijk opzicht een flinke voorsprong op de rest van de wereld, dankzij de Wetenschappelijke Revolutie en Verlichting.

Gravure uit de 19de eeuw van het observatorium en de sterrenkundige instrumenten van de Poolse astronoom Johannes Hevelius (1611-1687) Foto PHAS / UIG / Getty Images

Het zijn turbulente tijden. Wat gisteren nog ondenkbaar leek, is vandaag realiteit, en hoe de wereld er morgen uitziet, durft alleen een geharnaste propagandist of naïeveling te voorspellen. Duidelijk is in ieder geval dat het simpelweg doortrekken van trends die achteraf zichtbaar werden, geen adequate prognoses oplevert. Een betrekkelijke toevalligheid – een kiesstelsel waardoor een kandidaat die 2,1 procent minder stemmen krijgt dan zijn tegenstander toch president van de Verenigde Staten kan worden – zou best eens verstrekkende gevolgen kunnen hebben. En eigenlijk hoeft dat ons helemaal niet te verbazen.

Neem de Spaanse Armada van 1588. Zonder een bijzondere ongunstige wind, de superieure navigatiekunst van de Engelsen, en de weigering van de bevelhebber van de Spaanse troepen in de Zuidelijke Nederlanden om zich in te schepen, zou de invasie van Engeland hebben kunnen slagen. Dan zou in dit land het katholicisme weer staatsgodsdienst zijn geworden, terwijl de Nederlandse Opstand zonder Engelse hulp definitief kon worden onderdrukt. Dit zou hebben betekend dat in deze twee landen het onderwijs en het intellectuele debat waren gemonopoliseerd door jezuïeten en andere conservatieve katholieken, waardoor de wetenschappelijke revolutie en de Verlichting niet zouden hebben plaatsgevonden. Althans niet op het moment en in de vorm waarop ze zich hebben voorgedaan.

Dit is een van de voorbeelden die econoom en historicus Joel Mokyr (1946) docerend in de VS en Israël – aanvoert in zijn nieuwe boek A Culture of Growth. Daarin probeert hij aan te tonen waarom het Westen vanaf de zeventiende eeuw zowel in economisch als wetenschappelijk opzicht zo’n voorsprong heeft genomen op de rest van de wereld. Een voorsprong die allesbehalve vanzelfsprekend was. Tot ver in de zestiende eeuw was Europa immers een achtergebleven gebied aan de periferie van de beschaafde wereld. Omstreeks 1600 was Beijing met 700.000 inwoners de grootste stad ter wereld, op de voet gevolgd door Istanbul, terwijl Londen en Parijs elk zo’n 220.000 inwoners telden. En wat rijkdom en intellectueel peil betreft deden het Chinese en Ottomaanse rijk geenszins onder voor Europa.

Intellectueel klimaat

In zijn vorige boek, het schitterende The Enlightened Economy. An Economic History of Britain 1700-1850 (2009), liet Mokyr zien dat de radicale transformatie van de Britse economie in de achttiende en negentiende eeuw minder door materiële dan door intellectuele factoren werd veroorzaakt. Uiteraard speelden handel, het bezit van koloniën, grondstoffen, de beschikbaarheid van kapitaal en andere zaken een rol, maar het was vooral het gistende intellectuele klimaat van de Verlichting – met zijn geloof in wetenschap en vooruitgang – dat invloed had op het economisch handelen van denkers, uitvinders, ondernemers en ambachtslieden en dat zo leidde tot het ontstaan van de moderne wereld.

In A Culture of Growth, ontstaan uit de Schumpeter Lectures die hij in 2010 aan de universiteit van Graz gaf, gaat Mokyr dieper in op het ontstaan van de wetenschappelijke revolutie en de Verlichting. Terwijl veel economen vooral kijken naar materiële voorwaarden als hoge lonen (die arbeidsbesparende innovaties stimuleerden), grondstoffen uit de koloniën, goedkope energie, en politieke en maatschappelijke instituties die gunstig waren voor ondernemers, richtten ideeënhistorici als Jonathan Israel zich volledig op de baanbrekende ideeën die ontstonden in het brein van een handvol geniale denkers.

Mokyr ontkent niet dat al deze zaken een rol hebben gespeeld, maar hij wijst erop dat ze geen voldoende verklaring bieden. In navolging van Floris Cohen, in diens How Modern Science Came into the World (2012), benadrukt Mokyr dat al ruim vóór 1500 buiten West-Europa grote wetenschappelijke ontdekkingen waren gedaan, maar dat het een samenspel van factoren was dat ertoe leidde dat in de zeventiende eeuw de moderne natuurwetenschap ontstond, en dat het weinig had gescheeld of deze doorbraak was in de kiem gesmoord. Ook hoge lonen, overvloedige grondstoffen en tegen de plinten op klotsend kapitaal waren geen unieke verschijnselen, en veel beschavingen hadden een tijdlang een sterke economische groei gekend. Aanhoudende economische groei, die ondanks tijdelijke inzinkingen toch een van de kenmerken van de moderne samenleving is, is echter iets dat vóór de achttiende eeuw niet voorkwam.

Intellectuele gemeenschap

Het ontstaan van voortdurende wetenschappelijke en technologische vernieuwing, resulterend in voortdurende economische expansie, was volgens Mokyr alleen mogelijk door een unieke combinatie van sterke politieke fragmentatie en de opkomst van een transnationale intellectuele gemeenschap: de zogenoemde Republiek der Letteren. Doordat Europa – in tegenstelling tot China of het Ottomaanse Rijk – geen politieke eenheid was, was er geen regime dat ‘could turn out the light’. Dat staten met elkaar wedijverden was juist gunstig voor wetenschappers, geleerden en uitvinders, die bovendien dankzij het Latijn rechtstreeks met elkaar konden communiceren. Veel heersers probeerden de beste denkers aan zich te binden door middel van faciliteiten en royale toelagen.

Op deze markt van geleerden speelde reputatie een belangrijke rol, zodat er een soort open wetenschappelijke cultuur ontstond waar ideeën niet zo veel mogelijk geheim werden gehouden, maar juist werden gedeeld en verspreid. Hierdoor werden die ideeën blootgesteld aan kritiek, waardoor wetenschap en technologie onophoudelijk werden gestimuleerd en voortgestuwd. Terwijl heel lang de traditie en de status quo de norm waren geweest, en er vol ontzag en bewondering werd gekeken naar de klassieke Oudheid, ontstond nu een cultuur van vooruitgang en groei.

Vanzelfsprekend besteedt Mokyr aandacht aan grote denkers als Bacon, Descartes, Spinoza, Newton en Hume, maar hij gaat vooral in op de politieke, culturele, economische en wetenschappelijke constellatie waarbinnen zij opereerden. En hierbij wijst hij op de grote rol van het toeval. Er gebeurde heel veel tegelijk, op allerlei terreinen en overal in Europa, en dat alles leidde ertoe dat de wetenschappelijke revolutie ontstond en een moderne, ‘verlichte’ wereld, waarin wetenschappelijke vooruitgang, technologische vernieuwing en permanente economische expansie de vanzelfsprekende norm werden. Er had maar ergens één ding heel anders hoeven te lopen – zoals de overwinning van Filips II op Engeland en de Republiek, of de verovering van een groot deel van Europa door de Turkse sultan – en de wereld had er nu drastisch anders uit gezien.

Volgens een Britse recensent is Mokyrs boek ‘no beach reading’, maar het is wel een prachtige en stimulerende bijdrage aan onze kennis van de Verlichting, en een noodzakelijke aanvulling op tal van economische en ideeënhistorische studies.

    • Rob Hartmans