Opinie

    • Michel Krielaars

Literair advies aan enkele partijleiders

Voor hun toekomstig beleid hebben de lijsttrekkers misschien meer aan de literatuur dan aan de partijprogramma’s.

De pedante ex-burgemeester, de formele jurist, de dandy met bravoure, de zichzelf overschreeuwende straatjongen, de mannenbroeder, de voormalige dissident. Je herkent ze meteen in de aanhef van de adviserende brieven die ze in hun hoedanigheid van fractievoorzitter op 20 maart jl. aan verkenner Edith Schippers schreven. Wat hun toon betreft deden ze me aanvankelijk denken aan Godfried Bomans’ Kopstukken uit 1947, alsof er sinds dat jaar in de Nederlandse politiek niet zo veel is veranderd.

Maar naarmate ik me verder verbaasde over de toon en de formulering van sommige brieven (Jesse Klaver: ‘Beste Edith, Ik wil je in deze brief de overwegingen van mijn fractie geven voor de route naar een nieuw kabinet.’ Thierry Baudet: ‘Geachte mevrouw Schippers, Naar aanleiding van de verkiezingsuitslag van 15 maart jl. gaat hierbij het advies van Forum voor Democratie (FVD) inzake de kabinetsformatie.’) besloot ik in mijn boekenkast te duiken en wat literaire adviezen aan de fractieleiders te geven. Dankzij Joop den Uyl, een Ter Braak- en Du Perron-adept en poëzieliefhebber, weten we tenslotte dat literatuur politici verheven inzichten kan bieden.

Voor de excentrieke latinist Baudet, die het onlangs nog had over een ‘homeopathische verdunning’ van de westerse cultuur, kwam ik dan ook al snel uit bij Louis-Ferdinand Céline’s Reis naar het einde van de nacht en dan vooral bij de uitspraak van Bardamu, die de lofzang van zijn vriend Ganate op het ‘mooie Franse ras’ beantwoordt met: ‘Het ras, of wat jij ervoor aanziet, is niets anders dan een groot samenraapsel van gesjochte knapen zoals ik, met traanogen, onder de vlooien en verkleumd, die uit alle streken van de wereld hier verzeild zijn geraakt, verslagen en opgejaagd door honger, pest, zweren en kou.’ Het zou zo op de Nederlandse natiestaat, met al die katholieke vluchtelingen uit Noordrijn-Westfalen en Franse hugenoten, van toepassing kunnen zijn.

Voor Jesse Klaver, die zijn idealisme in een centrum-rechts kabinet hoopt te realiseren, viel mijn oog op Nescio’s Titaantjes. Want het zal me niets verbazen als ‘Jessias’ over een paar jaar moet toegeven: ‘Jongens waren we, maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is. Wat hebben we allemaal niet willen opknappen. We zouden hun wel eens laten zien hoe ’t moest.’

En u moet het me maar vergeven dat ik bij ‘Kopstuk’ Sybrand van Haersma Buma ineens aan Nescio’s Dichtertje moest denken: ‘Maar in dit nette, onschadelijk jonge burgerheertje leefde nog iets, dat geen heertje was, maar een mensch, die niet zoo maar dood wou gaan, die zichzelf een toren wou oprichten tot de blauwe lucht, om te staan in de eeuwigheid.’ Want waar komt anders dat verlangen naar de burgerlijke waarden van de jaren vijftig vandaan?

Van Geert Wilders verwacht u misschien dat ik hem associeer met Vladimir Lenin, die in het revolutiejaar 1917 zei: ‘Maar op het ogenblik mag je niemand over het hoofd strelen – je hand zou afgebeten kunnen worden. Slaan moet je ze op hun hoofden, onbarmhartig slaan.’ En toch zou dat hem geen recht doen. Eerder is de Buckel(bochel)-strofe van Bertolt Brecht op deze nostalgicus van toepassing: ‘Und haut man euch den Buckel an/ So habt es nicht gleich satt / Ach, dass was man verlieren kann/ Beweist das man was hat.’

    • Michel Krielaars