Interview

‘Klanten waren een vervelende onderbreking’

De eerste baan

Schrijfster Jannah Loontjens (43) werkte in een bloemenzaak en las gedichten tussen de gerbera’s en chrysanten.

Foto Merlijn Doomernik

Een nieuwe lente en een nieuw geluid: Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit, Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht, In een oud stadje, langs de watergracht-

Achter de toonbank van een bloemenzaak in Den Haag las Jannah Loontjens deze regels van Herman Gorter. Ze was vijftien en tussen de bossen fluitenkruid, gerbera’s, chrysanten, tulpen en rozen waande ze zich die zaterdagmiddagen even in de romantisch sfeer van de boeken die ze las. „Inmiddels vind ik het veel te zoet, maar toen dweepte ik met romantische literatuur van Gorter en Couperus, vol visuele beschrijvingen van de natuur.”

De eigenaar van de winkel was een Egyptische man die zich Hassan noemde, terwijl hij niet echt zo bleek te heten. „Ik heb eigenlijk nooit begrepen waarom hij niet zelf achter de toonbank stond, want hij zat daar maar achter in de winkel waterpijp te roken.”

Ze herinnert hem als „knetterstoned” met rode ogen en een grote glimlach op zijn gezicht. Voor haar had hij een pot snoep neergezet en ze kreeg een klein bedrag contant uitbetaald. Maar het allerfijnst vond ze het dat ze er urenlang achter elkaar kon lezen. „Mijn leraren op school zeiden toen al dat ik schrijver zou worden, maar zelf dacht ik daar nog helemaal niet over na.”

De bloemen benoemen

Af en toe kwam er een klant binnen, dat voelde haast als een storende onderbreking. Toch deed ze als verkoopster wel haar best. „Ik probeerde de namen van de bloemen uit mijn hoofd te leren zodat ik ze uit elkaar kon houden en ik vond het leuk om te kunnen zeggen: mevrouw, kijkt u eens naar de gerbera’s!” Opnieuw werd ze daarbij geïnspireerd door Gorter en Couperus: „Ik wilde net als zij de bloemen benoemen, de blaadjes kunnen beschrijven.” Gefascineerd keek ze naar de bloemen en dat doet ze nog altijd. „Naar de kleuren die ineens verschijnen en de stuifmeeldraden die er soms uit zien als de lange poten van een insect.”

Metafoor voor het leven

Destijds waren die bloemen voor haar een metafoor voor het leven, het levensplezier en de lente. Nu ziet ze juist de vergankelijkheid er van. „Toen ik eenmaal schrijver was, kreeg ik veel boeketten na het verschijnen van een boek en dacht ik: gadver, moet ik al die boekketten in mijn huis zetten?” Niet omdat ze bloemen niet mooi vindt, het probleem is dat ze langzaam verdorren. „Dan zie je dat ze wat slapper gaan hangen en denk ik: oh god daar gaan ze al.”

Ze weet bij een bloem ook nooit wanneer die precies dood is. „Eigenlijk gooi je ze al weg als ze nog half leven. Dat voelt gruwelijk.” Achteraf bezien lag die vergankelijkheid al in Gorter besloten. „Hij bezingt immers zijn liefde voor de maand mei, maar zij kan niet voor eeuwig blijven, zij gaat voorbij.”