Je moet snappen wat de student niet snapt

College geven in het hoger onderwijs heeft vaak geen hoge prioriteit. Een deze zaterdag uitgereikte prijs voor ‘docent van het jaar’ moet enig tegenwicht bieden. Portret van de enige vrouwelijke genomineerde. Hoe geeft zij les en wat is een goede docent? „Nooit een les van de plank nemen.”

Op de middelbare school waar ze voor het eerst les gaf, begon wiskundelerares Stephanie Siersma met vellen vol driehoeken, cirkels, vierkanten en rakende cirkelbogen. Die waren geïnspireerd door Sangaku plankjes, waarop Japanners in het verre verleden in tempels meetkundige vraagstukken probeerden op te lossen. Dat sprak tot de verbeelding. Van sommige leerlingen gingen ouders en grootouders thuis meepuzzelen om de oppervlakte van de figuren te berekenen of iets te bewijzen. Als het niet lukte, wachtte de hele familie met spanning op de oplossing die in de klas werd gegeven.

Inmiddels geeft Siersma les aan de opleiding tot wiskundeleraar van de NHL hogeschool. Ook haar studenten daar krijgen deze middag Sangaku-opgaven. Aan tegen elkaar geschoven tafels trekken ze driehoeken door het lijnenspel om de oppervlakte van de kleinste cirkel te berekenen.

Siersma was een van de vijf genomineerden voor beste docent van het jaar in het hoger onderwijs. Zaterdagavond werd bekend dat Marc van Mil, docent op de opleiding Biomedische Wetenschappen van de Universiteit Utrecht de prijs heeft gewonnen. Hoewel Siersma de prijs dus niet gewonnen heeft, is ze „gewapend met werkvormen, humor, geduld, geogebra, en met alle tijd van de wereld begeleidt ze ieder van ons tot we het wel moeten begrijpen”, aldus een student over haar in het nominatierapport.

De kunst van het doceren in het hoger onderwijs is lange tijd verwaarloosd. Aan de universiteit wordt onderzoek en solliciteren naar onderzoeksgeld belangrijker geacht voor de status van een docent. Veel docenten besteden het college geven uit aan assistenten of doen het zo min mogelijk. Deze week nog raadde hoogleraar bodemkunde aan de Wageningen universiteit, Jan-Willem van Groenigen, in zijn oratie ambitieuze onderzoekers aan om maar zo min mogelijk onderwijs te geven. „Een jonge onderzoeker verkleint met onderwijsuren zijn kansen op een loopbaan in de wetenschap”, verduidelijkte hij in De Volkskrant. Het onderzoek moet maatschappelijk nut buiten de de universiteit hebben en dan tellen lesuren niet mee.

Geen wonder dus dat vier van de vijf genomineerde docenten niet zijn verbonden aan de universiteit maar aan hogescholen, waar die spanning tussen onderwijs en onderzoek ontbreekt.

Getrouwd op pi-dag

Met haar open gezicht en uitgesproken mimiek heeft Stephanie Siersma direct contact met de klas. Ze zet grote ogen op als ze een belangrijk punt wil maken. Haar kracht is interactie: ze volgt precies wat leerlingen doen, kijkt waar het wat minder gaat, spreekt hen aan. Ze krijgt ook iets samenzweerderigs als ze vraagt: „Houden we het nog vier minuten vol?”

Ze doorspekt haar lessen met verhalen. Bijvoorbeeld over haar recente huwelijk op pi-dag, gevierd door sommige wiskundigen op 14 maart, ook wel genoteerd als 3-14, de eerste drie cijfers van het vermenigvuldigingsgetal voor de berekening van de omtrek van een cirkel. Of ze toont een plaatje van de ingenieuze geometrische ‘Cable Table’ van meubelmaker Willem Scholtens, die ze cadeau kreeg. Bij statistiek, later op de avond, toont ze een hele reeks krantenkoppen met boude conclusies uit statistische gegevens: de zogenoemde prosecutor’s fallacy, de statistisch foute redeneringen bij de later herroepen veroordeling van verpleegkundige Lucia de B. „Er zijn meer onjuiste conclusies dan juiste”, zegt ze.

Als een van de beste docenten van Nederland leidt Stephanie Siersma dus zelf docenten op. Aan de NHL hogeschool in Leeuwarden heeft ze jonge studenten, in Groningen doceert ze zij-instromers die vaak al lesgeven in de onderbouw van havo of vmbo maar nog hun tweede graad moeten halen. Er is zo’n tekort aan wiskundeleraren dat scholen gedwongen zijn onbevoegden aan te nemen.

Stelregels voor de goede leraar volgens Siersma zijn: je moet nieuwsgierigheid opwekken. Om interessant te blijven moeten lessen niet te moeilijk zijn maar ook niet te gemakkelijk. En de leraar moet „baas boven het boek” zijn. Dus niet te afhankelijk van de in de boeken beschreven lesmethode. Onderwijsuitgevers maken steeds dikkere boeken met kleurenplaten, lesschema’s en oefeningen, maar Siersma vindt dat het lesboek ‘niet heilig’ is. Je moet het gebruiken als hulpmiddel. Je moet nooit een les van de plank nemen. „Ik pik allerlei dingen op om voor de les te gebruiken.” Je moet ook altijd even herhalen wat niet lekker liep.

Siersma’s leerlingen – zelf docenten in opleiding – volgen haar voorbeeld en wisselen tips uit om berekeningen te verduidelijken. Deze middag laten ze „praatplaten” zien. Dat was een opdracht aan hen om foto’s of praktische voorbeelden te laten zien waarmee leerlingen alvast aan bepaalde wiskundige ideeën wennen. Opvallend was een foto van een grafiek die werd gevormd door een groep levende mensen. Het was een normaalverdeling gerangschikt naar de aantallen broers en zussen die iemand had. De grootste groep mensen in het midden, kleiner aan beide uiteinden. Die normaalverdeling verdween zodra de groep zich moest opstellen naar de kleur van de jas. Een heldere visuele uitleg.

Geen wiskundeknobbel

Siersma zelf (40) is pas op haar dertigste begonnen aan het leraarschap. In Groningen begon ze aan een studie geneeskunde. Toen dat spaak liep, vond ze bij toeval werk in een boekhandel. Ze houdt van lezen en had goed contact met de klanten. Een kennis vroeg of ze haar dochter wilde helpen met wiskunde. Dat ging haar goed af en ze kreeg de smaak te pakken. Uiteindelijk kwam ze voor de lagere klassen vmbo en havo van een montessorischool. Tegelijkertijd was ze begonnen aan de lerarenopleiding van de NHL hogeschool. „Op je dertigste sta je wat steviger in je schoenen”, zegt ze.

Lange tijd combineerde ze haar docentschap aan de hogeschool met lesgeven aan het Zernikecollege in Groningen. Binnen de hogeschool eindigde ze al vaker bovenaan bij de jaarlijkse verkiezingen onder studenten voor meest gewaardeerde docent. Tegenover de studentenkrant uit Leeuwarden vatte ze toen haar methode goed samen: „Ik snap goed wat een student niet snapt. Misschien wel omdat ik zelf niet een enorme wiskundeknobbel heb. Het komt me niet allemaal aanwaaien. Ik kan de denkstappen die studenten maken daarom goed volgen, en weet waar het kan stokken. Daar kun je je uitleg op aanpassen.”

Leerlingen die zelf ook al voor de klas staan vinden het vooral prettig dat ze hun problemen in de klas met Siersma kunnen bespreken: „Wat ze zegt, is heel toepasbaar. Je kunt veel ervaringen uitwisselen”, zegt eerstejaars Jacobien Kuipers (25) die naast haar logopediepraktijk een aantal dagen wiskunde doceert aan de derde klas basis van het vmbo. Derdejaars lerarenopleiding Jos de Vries heeft pabo gedaan en geeft nu les aan de onderbouw van het atheneum: „Je leert hier om het aan de leerling uit te leggen. Je kunt niet elk uur hetzelfde zeggen in de klas.”

Autoverkoper Pieter Blaauw (46) ging de opleiding doen toen hij korte tijd zonder werk zat. Inmiddels werkt hij weer voor een autobedrijf maar de opleiding tot tweedegraads leraar zet hij voort. „Ik had een wiskundige achtergrond maar ik ben nogal rechtlijnig. De manier waarop Siersma het aanbiedt, had ik zelf niet kunnen bedenken.”