Babyboomers sponsoren op grote schaal hun volwassen kinderen

familie Ze kopen huizen, passen hele dagen op, storten geld. Waarom? „We willen dat het goed gaat met ons nageslacht.”

Een vader helpt in het huis van zijn dochter. Foto's Astrid van Rooij

Duizenden starterswoningen in Amsterdam, Leiden en Utrecht worden de laatste jaren gekocht door vijftigers en zestigers: ouders die een huis kopen voor hun volwassen kinderen.

Dit staat niet in het boek Eindeloos Ouderschap van socioloog Herman Vuijsje en journalist Anneke Groen, maar het had gekund. Zij beschrijven op een journalistieke manier hoeveel de babyboomers – 60 tot 72 jaar – voor hun volwassen kinderen doen. Ze interviewden hun generatiegenoten, onderzoekers en publicisten. Vuijsje en Groen vragen zich af waarom ouders eindeloos studies betalen (omdat er geen beurs meer is), op de kleinkinderen passen (omdat de kinderen allebei lange dagen moeten werken voor een goed inkomen) en huizen voor hen kopen (omdat het anders niet lukt). Hoe dat vroeger ging (niet – je dééd volgens de auteurs geen financieel beroep op je ouders). En wat de gevolgen zijn. Het boek verscheen deze week.

De cijfers: bij 60 procent van de gezinnen met kinderen tot 16 jaar passen grootouders op, gemiddeld 7 uur per week. Binnen twee jaar na een wetswijziging in 2014 grepen ruim 80.000 (groot-)ouders de kans om belastingvrij een ton te schenken aan een (of alle) van de kinderen. De babyboomers hébben het geld ook. Tussen 2003 en 2013 werden de 65-plussers volgens het CBS gemiddeld 22 keer zo rijk als de 18- tot 35-jarigen.

Geen nee durven zeggen

Onafhankelijkheid van je ouders, die de babyboomers zelf bevochten in de jaren zestig en zeventig, blijkt één generatie later alweer verdwenen. Achteraf was die onafhankelijkheid volgens Groen en Vuijsje ook alleen mogelijk doordat de overheid scheutig was met studiebeurzen, de woonruimte betaalbaar was (of je ging kraken) en arbeidscontracten beter waren.

Babyboomers zijn de eerste generatie die bewust koos voor het ouderschap. Ze kregen een of twee kinderen en hebben er veel voor over om hen gelukkig te laten worden.

Dat kinderen het beter krijgen dan hun ouders is niet meer vanzelfsprekend. Een huis kopen is moeilijker, huren duurder en een vast contract (nodig voor een hypotheek) krijg je maar moeilijk: 40 procent van de 35-jarigen heeft een flexcontract. Kinderopvang is duur, ook al betaalt de Belastingdienst mee, en dus reizen tienduizenden opa’s en oma’s elke week een dag naar een van de kinderen om voor de kleinkinderen te zorgen. Een moeder van 44 zegt in het boek dat ze de opvoeding van haar twee kinderen niet alleen had gekund: „Mijn ouders staan altijd klaar, ook ongevraagd.”

Babyboomers vormen de eerste generatie die níét meemaakt dat zijn kinderen (gemiddeld) beter af zijn dan zij. „Hij komt in een lagere sociale laag terecht. Dat voelt niet goed en het geeft ook iets ongemakkelijks in onze relatie”, zegt een architect over zijn zoon.

En toch: dat geld en die tijd hoeven die babyboomers toch niet aan hun uithuizige kinderen te besteden? Waarom doen ze dat massaal? Uit liefde natuurlijk! Nee, het is ingewikkelder.

Sommigen voelen zich schuldig omdat ze destijds meer aandacht voor hun carrière hadden dan voor hun opgroeiende kinderen. Of omdat ze een puinhoop van hun huwelijk maakten.

Sommigen durven geen nee te zeggen tegen hun kinderen. Ze zijn bang dat hun dat kwalijk wordt genomen, en dat ze dan voor straf de kleinkinderen niet meer mogen zien. Of ze vrezen dat de kinderen later niet voor hen zullen klaarstaan als zij oud zijn.

Maar velen vinden de zorg voor hun kinderen vanzelfsprekend; ze hebben er de tijd en het geld voor, en dit is een mooie manier om betrokken te blijven bij het leven van het nageslacht. Eén van de grootouders: „We staan onze kinderen bij omdat… we willen dat het goed gaat met ons nageslacht. Dat is onze beloning.”

Een vader helpt in het huis van zijn dochter.
Foto’s Astrid van Rooij

Dankbaarheid verwachten

Maar grenzen stellen is lastig. Een echtpaar stelde het telkens uit hun dochter te vertellen dat ze die lang gewenste rondreis door Italië gingen maken en dus niet meer wekelijks konden oppassen. Anderen vragen zich af hoe lang ze dat vroege opstaan, de reis, het oppassen, zullen volhouden. Sommigen koken ook, doen boodschappen en helpen in de tuin.

Hoeveel moet je doen en wat mag je terug verwachten? Een stel met minder geld te besteden vraagt zich af of ze kostgeld kunnen vragen aan een inwonend kind van boven de twintig. Tot de jaren zeventig was dat doodnormaal, schrijven de auteurs. Maar nu vinden veel jongeren en hun ouders dat ondenkbaar.

De geïnterviewden vertellen dat ze het pijnlijk vinden dat hun kinderen geen dankbaarheid tonen. „Dat hij af en toe langskomt, en uit zichzelf zegt, zonder dat er iets gedaan moet worden: goh, heb je zin om ergens te lunchen? Dat gebeurt nooit.”

Maar, schrijven Groen en Vuijsje, dankbaarheid tonen is voor die kinderen moeilijk. Daarmee erken je dat je als volwassene afhankelijk bent van je ouders. En dát was toch eigenlijk niet de bedoeling. Het beste, adviseren velen in het boek, is toch om geen dankbaarheid te verwachten. Alles wat erop lijkt, zeggen zij, is mooi meegenomen.

Het is opvallend hoeveel volwassenen geld en hulp van hun ouders aannemen. 50.000 euro om een huis te kopen? Hupsakee. „Ze willen de luxe levensstijl die wij ze als kind gaven, voortzetten”, erkennen de (groot-)ouders. Het ‘incassovermogen’ van de kinderen van babyboomers is groot, schrijven de auteurs. Toch blijft geld een „ongemakkelijk thema”. Gedragswetenschapper Matthijs Kalmijn zegt: „Mensen praten makkelijker over een gebroken huwelijk dan over het geld van hun ouders.”

    • Frederiek Weeda