Opinie

    • Frits Abrahams

Dylan op zoek naar die ene

Vandaag komt Triplicate uit, het nieuwe album van Bob Dylan, waarop hij net als op zijn vorige twee albums evergreens zingt uit de jaren twintig tot zestig van de vorige eeuw. Dat klinkt oud en zo klinkt Dylan ook zelf op dit album, wat niet zo vreemd is, want hij is inmiddels 75 jaar.

Over zijn eerste cd in dit genre, Shadows in the Night, schreef ik twee jaar geleden nogal afwijzend. Ik vond dat hij ver onder de maat van vorige vertolkers van deze songs bleef: zangers als Frank Sinatra, Dick Haymes, Bing Crosby, Mel Tormé en Doris Day.

Op Triplicate waarvan ik tien songs (van de dertig) beluisterde, klinkt Dylan minder onwennig, maar ik blijf zijn stem te stroef en onvast voor dit genre vinden. Het resultaat is hooguit draaglijk (‘That Old Feeling’, ‘I Could Have Told You’), nooit indrukwekkend. Voor deze songs moet je écht goed kunnen zingen, anders blijft het toch te veel opa die op zaterdagmorgen in bad niet onverdienstelijk ligt te galmen.

Ik ben vooral verbaasd over zijn nieuwe repertoire. Waarom is hij eraan begonnen en wat wil hij ermee toevoegen? Wat is voor hem de artistieke uitdaging van dit door anderen al zo vaak betreden pad? Of doet hij het omdat hij zich als schrijver in een creatieve impasse bevindt?

Ik kreeg geen bevredigend antwoord in het recente, lange interview met Dylan op zijn website. Hij prijst de liedjes om hun realisme en hun vertrouwen in het gewone leven, hij wil er vooral de man-in-de-straat mee bereiken. Prachtig, maar Frans Bauer zal vinden dat hij dat veel beter kan. „Deze songs behoren tot het meest hartbrekende materiaal dat ooit op de plaat is gezet, en ik wilde ze recht doen”, zegt Dylan. Waarom eigenlijk als velen vóór hem dat al zo goed hebben gedaan met vertolkingen die nog overal verkrijgbaar zijn?

Het interview is in andere opzichten toch wel interessant. Het bevat opvallende opmerkingen (hij was fan van Amy Whitehouse, „de laatste echte individualist”) en anekdotes, zoals die over de omgang met Sinatra. Ze hebben elkaar slechts enkele malen ontmoet. Sinatra kende Dylans werk niet goed, maar hield wel van diens ‘Forever Young’. Op een nacht stonden ze op het terras van Sinatra’s huis, toen die zei, wijzend naar de sterren: „You and me, pal, we got blue eyes, we’re from up there. These other bums are from down here.” Hij kon weleens gelijk hebben, dacht Dylan toen. Als ik het mag samenvatten: je hebt sterren en je hebt stervelingen.

De interviewer vraagt hem aan wie hij moet denken als hij oude filmpjes van zichzelf ziet. Aan Nat King Cole die ‘Nature Boy’ zingt, antwoordt hij. Ik heb het op YouTube opgezocht - prachtig liedje, prachtig gezongen. There was a boy/ A very strange enchanted boy/ They say he wandered very far, very far/ Over land and sea/ A little shy and sad of eye/ But very wise was he. De conclusie van de Nature Boy: The greatest thing you’ll ever learn/ Is just to love and be loved in return.

Over het liedje ‘Where Is the One’ zegt Dylan dat hij het niet zelf had kunnen schrijven, het raakt bij hem een open zenuw. Where is the one/ Who’ll end the search I’m making/ Where is the one/ Who’ll change my dream to waking/ Behind some far off secret door/ There’s my love/ There’s my life/ In store.

Het klinkt alsof hij ‘die ene’ nog steeds niet heeft gevonden.

    • Frits Abrahams