Recensie

De regisseurs die na de oorlog nooit meer hetzelfde waren

Oorlog en film
De indrukwekkende documentaireserie Five Came Back vertelt het verhaal van vijf Hollywoodregisseurs die in de Tweede Wereldoorlog hun succesvolle carrière achter zich lieten om films aan het front te maken.

Regisseur John Ford tijdens het opnemen van een propagandafilm. Netflix

‘Ze lieten de oorlog aan de wereld zien’ staat op het affiche van de nieuwe, driedelige Netflix-documentaire Five Came Back. De ‘ze’ slaat op vijf Hollywoodregisseurs die in de Tweede Wereldoorlog hun succesvolle carrière achter zich lieten en dienst namen in het leger of bij de marine. Dat deden ze niet als gewone soldaten maar als filmmakers die de war effort een steuntje in de rug moest geven. Wat ze maakten, begon als propaganda, maar werd steeds meer een getuigenis die de gruwelen van de oorlog documenteerde. Een oorlog die ook bij de vijf regisseurs zo hun sporen achterliet. Na WOII waren ze niet meer dezelfde.

Het met veel zorg gemaakte Five Came Back vertelt op chronologische maar alternerende wijze het verhaal van Frank Capra, William Wyler, John Huston, John Ford en George Stevens. Hun wederwaardigheden worden toegelicht door vijf hedendaagse makers, onder wie Steven Spielberg, Francis Ford Coppola en Paul Greengrass. Dat doen ze op welsprekende wijze maar het beste is toch het bijeengebrachte archiefmateriaal dat voor het merendeel komt uit de indringende documentaires die de vijf tijdens WOII op verschillende plekken maakten.

Het duurde even voordat de VS besloten mee te doen met de geallieerden. De isolationistische krachten waren lang groter dan zij die voor inmenging waren. Zo was er een machtige America First-commissie – de parallel met Trump ligt voor het oprapen – die onder meer vond dat Hollywood te veel pro-oorlogsfilms produceerde. De stemming sloeg razendsnel om toen de Japanners eind 1941 de Amerikaanse basis Pearl Harbor bombardeerden. Een dag later verklaarde president Roosevelt Duitsland, Italië en Japan de oorlog.

Mussolini de clown

Vlak erna begon Capra aan zijn Why We Fight-reeks, zeven (rekrutering) films die aan de 12 miljoen Amerikanen die zich bij het leger aanmelden uitlegde waarom hun mogelijke opoffering nodig was. Toen Capra de beruchte nazipropagandafilm Triumph des Willens (Leni Riefenstahl, 1935) zag, was hij even ontmoedigd: „Hoe kan ik hier overheen?” Hij herpakte zich en liet als tegenpropaganda zien dat Mussolini zich als een clown gedroeg en Hitler op Chaplin leek. „Als er niet zoveel sneuvelden, was het net een komedie”, zei hij in een interview. Capra moest met lede ogen toezien hoe slechts drie van zijn Why We Fight-films door de War Department werden vrijgegeven voor een algemene bioscooprelease en toen ook nog eens flopten – het publiek was oorlogsmoe.

John Hustons krachtige documentaire Let There Be Light, over de behandeling van getraumatiseerde soldaten die uit de oorlog terugkeerden, werd door zijn militaire opdrachtgevers als te heftig gezien en tot 1981 op de plank gehouden.

John Fords The Battle of Midway was een beter lot beschoren. Het was de eerste keer dat Amerikanen de oorlog in kleur zagen en ze kwamen in drommen. Hoewel bedoeld als propaganda documenteerde Ford, die zelf gewond raakte, ook hoe een Amerikaanse legereenheid vrijwel gedecimeerd werd bij een Japanse aanval. Een heroïsch offer dat niet alleen op de makers diepe indruk maakte.

De begrafenis van de gevallenen is even indringend als de spectaculaire beelden van de luchtaanval. Bij elke bominslag schudt het beeld, soms loopt de film zelfs even uit de wieltjes van de camera. Er gebeurt zoveel dat het Ford en zijn cameramannen moeite kost alles netjes in beeld te houden. Het levert indrukwekkende shots op die ver verwijderd zijn van de kunstmatigheid van Hollywood. Ford zou later ook D-Day filmen, samen met George Stevens. Dat maakte zoveel indruk, alleen al op de eerste dag vielen er vierduizend doden, dat Ford na afloop drie dagen verdween en zich verloor in copieus alcoholgebruik.

Dachau

George Stevens filmde de hele geallieerde campagne van D-Day naar Berlijn, waarbij hij en zijn cameramensen ook uitstapjes maakten naar concentratiekamp Dachau. De beelden die zij daar maakten, schokken in hun naakte directheid nog steeds. Zijn materiaal werd gedurende het Neurenberg-tribunaal gebruikt als bewijs van nazi-wreedheden en zorgde er (mede) voor dat hun misdaden tegen de menselijkheid niet onbestraft bleven.

Het zien van uitgemergelde overlevenden, bergen lijken, gaskamers en netjes aan haakjes opgehangen kleding veranderden Stevens na de oorlog voorgoed in iemand die niet meer in staat was om komedies te regisseren. Hij was niet de enige met psychische en/of fysieke schade. Zo raakte William Wyler vrijwel doof toen hij bij het maken van zijn documentaire Thunderbolt meevloog in een B-25-bommenwerper. Dankzij een gehoorapparaat kon hij zijn carrière weer oppakken en maakte hij met meervoudig Oscarwinnaar The Best Years of Our Lives (1946) een van de beste films over terugkerende veteranen. Net als hijzelf en zijn vier kompanen waren zij voor het leven getekend.

    • André Waardenburg