De pygmeeën voelen zich nauwelijks mensen

Afrikaans nomadenvolk In de Centraal-Afrikaanse Republiek voelen de pygmeeën zich paria’s, sinds ze verdreven zijn uit de bossen. Een van de antiekste volken ter wereld is het afval van de mensheid geworden.

Engoungou is een oudere BaAka. Op de foto staat ze samen met haar kleinkind, baby Ode. Op de voorgrond is haar dochter Terese Ndete te zien. Foto Petterik Wiggers/Panos Pictures UK

Bochtige rivieren banen zich een weg door het regenwoud. Een visser werpt zijn net in de dampende bruine stroom. Oe-aah, oe-aah klinkt het vanaf de rivierrand, oergeluiden van de pygmeeën in de jungle. Dit is een van de alleroudste volkeren van Afrika, daterend uit tijden toen mensen nog louter leefden van de jacht en het verzamelen van planten. De pygmeeën, of de BaAka zoals ze zichzelf in de Centraal-Afrikaanse Republiek noemen, leven in het Congo-waterbekken langs de evenaar.

De bezoeker moet worden gereinigd van slechte geesten uit het dorp. De BaAka leefden vroeger niet in dorpen, maar het hele jaar als nomaden in de bossen. Daar voelden ze zich veilig en vertrouwd en hadden ze genoeg voedsel. Na hun verdrijving door houthakkers, stropers en boeren wachtte hun in het dorp diepe armoede, alcohol en discriminatie. De oude Bernard Wewela werpt bladeren in een kring, de jongeren beginnen met takken op de grond te slaan. „Boe-oe, boe-oe”, roepen ze. „We verdrijven de slechte energie van het vervuilde dorpsleven.”

Wewela heeft een paar jongeren uit het dorp voor een paar dagen meegenomen op een uitstapje, om hun de geheimen van het woud te leren. Het overgrote deel van zijn tijd woont Wewela in het dorp. Met tegenzin. Want na hun dramatische verdrijving uit de jungle leven de BaAka als verschoppelingen, de dorpen luidden hun ondergang in.

Vloek van het dorp

Studio NRC

De cultuur en kennis van de BaAka zit in hun dansen en liederen, in het gebruik van bosmedicijnen en in hun verhalen. Vandaag geeft Wewela les in jagen. Ze spannen een lang net in een halve cirkel rond het kreupelhout. „Oe-aa, oe-aa wé wé”, roepen ze om de beesten uit hun schuilplaats te verjagen. De hertjes laten zich vandaag niet vangen, de geesten worden opnieuw aangeroepen. „Gisteren is er een jonge BaAka verdronken”, vertelt Wewela. „Hij had drugs gebruikt. Dat is de vloek van het dorp. Daarom vangen we niets vandaag.”

De oude vrouw Henriette Memba is expert in bosmedicijnen en planten. „Een goede man neemt honing mee voor zijn familie.” Een jongen kapt een liaan, bindt de vezels om zijn middel en een boom en sleept zich naar boven. Daar aan de top groeit heerlijke spinazie. Memba smaalt over de volkeren van buiten het woud, die ze met de verzamelnaam Bantoe aanduiden: „Stel je voor! De Bantoe kappen de hele boom om de spinazie te bemachtigen. Zij vernietigen het woud.”

We zijn nog steeds de heersers van het bos.

Barthélemy Ngbanda

De BaAka leefden hier lang vóór de ‘Bantoe’. Ongeveer 2.500 jaar voor Christus werd onder de Egyptische farao Nefrikare in een reisverslag gewag gemaakt van „de kleine mensen van de bomen”. Toen de Bantoe rond die tijd vanuit het noordwesten over het continent begonnen uit te waaieren, stuitten zij op de BaAka en andere pygmeevolkeren en op de San in zuidelijk Afrika. De Bantoe knabbelden aan het bos voor landbouwgrond en aten wilde dieren. In de laatste tweehonderd jaar arriveerden islamitische slavenhandelaren uit het noorden, gevolgd door blanke kolonisten en sinds vorige eeuw houtkapbedrijven. Met hun geweren dunden de buitenstaanders de wildstand uit en legden in hun speurtocht naar goud en diamanten het gebied open met wegen en landingsbanen.

Als laatste binnendringers van het pygmeegebied arriveerden de natuurbeschermers. Onder leiding van het Wereldnatuurfonds (WWF) werden de overgebleven oorspronkelijke wouden langs de grens met de Centraal-Afrikaanse Republiek, Kameroen en Congo in 1993 tot het beschermde gebied Dzanga Sangha verklaard. De BaAka gingen buiten het reservaat in een bufferzone leven, in een wereld waar ze niet voor vol worden aangezien. In het hele Congobekken zijn nog een geschatte half miljoen pygmeeën over.

In Yondo wordt een voetbalwedstrijd gespeeld tussen mannen uit Yondo, voornamelijk BaAka, en de Bantoe uit Bayanga. Op de foto staan supporters van het team uit Yondo, die het veld oprennen na een goal. Foto Petterik Wiggers/Panos Pictures UK

Kleermakerszit

Wewela legt een mosgroene mat op de bosgrond en trekt zijn oude benen in kleermakerszit. „Vroeger offerden Bantoe bij het overlijden van een stamhoofd een BaAka. We waren hun slaven.” Zijn leerlingen vallen hem in de rede; bij de BaAka mag iedereen meepraten, mannen, vrouwen en jongeren zijn gelijk. „Bantoe slaan ons en betalen weinig of niets voor onze arbeid. Er bestaat geen respect voor ons, alleen hier in het woud zijn we vrij.”

De BaAka mogen niet meer in het natuurpark wonen, behalve als gids voor de onderzoeker en toerist. Barthélemy Ngbanda kent alle sporen in het bos. „Onze voorvaderen leerden ons dat een ware man nooit de weg kwijtraakt”, zegt hij. De pygmeeën zijn bijzonder klein, wat niet opvalt onder hoge bomen. Ngbanda leidt me onder bomen van meer dan vierhonderd jaar oud over een olifantenpad vol marcherende krijgsmieren met vervaarlijke grijptanden.

We kenden tot voor kort echte slavernij. We zingen nog steeds liederen op het ritme van de zweepslag.

Bantoe-stamhoofd Jean Pierre Pontchon

Ngbanda gebaart me te zwijgen, want we naderen de gorilla’s. Hij klikt met zijn tong om Makumba op zijn gemak te stellen. „Ik was zo gelukkig toen Malui van een tweeling beviel”, fluistert hij. Hij heeft het over de familie van de 38 jaar oude Makumba en zijn nieuwe vrouwtje Malui. De familie Makumba verkeert permanent in gezelschap van zeven BaAka-bewakers. Iedere avond als de mensapen hun nesten in de bomen maken, leggen de bewakers zich op de bosgrond te ruste. „We zijn nog steeds de heersers van het bos”, zegt Ngbanda trots.

Terence Fuli uit Kameroen is een onderzoeker van gorilla’s en afkomstig uit een geheel ander landschap, namelijk de open savanne honderden kilometers noordwaarts. Hij toont grote eerbied voor de kennis van de BaAka. „Ze leerden me sporen en dierengeluiden. Ze herkennen bomen als individuen”, vertelt hij. „Zonder de BaAka hadden we de gorilla’s nooit kunnen vinden, beschermen en bestuderen.”

Tegen de avond kondigt zich regen aan. Windvlagen zwaaien over het woud, bomen buigen en laten wilde mango’s vallen. Het bliksemt hevig. Takken breken en grijze papegaaien zoeken schreeuwend hun heenkomen.

Mackolia is een oudere man van de BaAka. Op de foto staat hij bij zijn thuis in Mossapoula. Hij denkt dat hij ouder dan negentig is. Foto Petterik Wiggers/Panos Pictures UK

Uitgemergelde moeders

De keuze tussen het dorp en het woud bestaat niet meer voor de BaAka. Gedwongen leven ze het overgrote deel van het jaar in dorpen. In het dorpje Babongo aan de rand van het park hangen ze doelloos rond. Baby’s met snotneuzen klampen zich vast aan hun uitgemergelde moeders. Niemand draagt schoenen, hun voetzolen zijn aangevreten door zandvlooien, hun haren verkleurd door vitaminegebrek, hun buikjes opgezwollen door voedseltekort. Een van de antiekste volken ter wereld is het afval van de mensheid geworden.

„Het is beter gescheiden te leven”, vindt Gabriel Mableli, BaAka-stamhoofd van Babongo, „want een goede Bantoe is een uitzondering”. Bantoe en BaAka in Babongo leven gescheiden met ieder een eigen stamhoofd. Bantoe-stamhoofd is Jean Pierre Pontchon. „Mijn vader was vroeger eigenaar van een BaAka-familie. Ja, we kenden tot voor kort echte slavernij. We zingen nog steeds liederen op het ritme van de zweepslag.”

De maatschappelijke en culturele verschillen in Babongo zijn enorm. BaAka zijn arm en Bantoe zijn altijd beter af. BaAka kunnen niet boeren en werken daarom meestal als goedkope arbeidskrachten bij Bantoe.

Sommige BaAka vragen zich zelfs af of ze minder dan menselijk zijn.

Mensenrechtenactivist Martial Amolet

Tachtig procent van hen kan lezen noch schrijven. Slechts drie BaAka maakten voor zover bekend de middelbare school af, sinds de onafhankelijkheid van de Centraal-Afrikaanse Republiek in 1960. Hun egalitaire levenshouding scheidt ze van de meer individualistische Bantoe, hun geloof in geesten wakkert bij politici en paters afkeer aan.

De vernedering van de BaAka vrat aan hun zelfvertrouwen. Mede daarom is onlangs voor dit vertrapte volk een mensenrechtenorganisatie opgericht in het nabijgelegen stadje Bayanga. „De Bantoe beschouwen hun als vies en dierlijk”, vertelt de mensenrechtenactivist Martial Amolet. „Sommige BaAka vragen zich zelfs af of ze minder dan menselijk zijn. Dat is de erfenis van slavernij en de huidige discriminatie.” Amolet gaat dagelijks bij Bantoe boeren langs om ze te vertellen dat ze BaAka niet mogen slaan en hun moeten betalen voor arbeid. „De BaAka zitten in een precaire situatie, ze hebben speciale bescherming nodig. Het is nog steeds niet in de hoofden van alle mensen doorgedrongen dat iedereen gelijk is.”