Recensie

De laatste populist van de PvdA

Rouwdouw-politicus en stadsvernieuwer Jan Schaefer (1940-1994) kreeg veel bekendheid. Aan het einde van zijn leven was hij teleurgesteld en keerde hij zich af van de ‘geparfumeerde drollen’ van de PvdA.

Jan Schaefer in 1990, toen hij voorzitter van de commissie sociale vernieuwing was. Foto Bert Verhoeff

‘In gelul kun je niet wonen’ staat er in kleine letters op het straatnaambord van het Jan Schaeferpad in de wethoudersbuurt in Amsterdam-Zuidoost. Het is de bekendste uitspraak van de PvdA-politicus Jan Schaefer die in de jaren voor en na 1980 als wethouder van onder meer stadsvernieuwing de woningbouw in Amsterdam aanjoeg. Toch heet de biografie die Louis Hoeks (1969), journalist van Het Financieele Dagblad, keurig ‘In geouwehoer kun je niet wonen’.

Hier geeft Hoeks een verklaring voor. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1978 werd het Kamerlid Schaefer, die van 1973 tot 1977 staatssecretaris van Stadsvernieuwing was geweest in het kabinet Den Uyl, de lijsttrekker van de PvdA in Amsterdam. De stad werd toen volgehangen met affiches waarop ‘In geouwehoer kun je niet wonen’ stond. Hoewel wikipedia meldt dat Schaefer in de Tweede Kamer eens ‘in gelul…’ had gezegd en dat dit in de notulen werd gekuist tot ‘in geouwehoer…’, weet Hoeks te melden dat Schaefer zijn beroemde uitspraak nooit in het parlement heeft gedaan. De herkomst is volgens hem onduidelijk.

Hoeks heeft nog meer ontdekkingen gedaan. Dat de grofgebekte en vaak in spijkerpak gehulde rouwdouw-politicus Johannes Lodewijk Nicolaas Schaefer (1940-1994) een ‘ongeschoolde bakker was die vanuit zijn gevoel de elite een lesje leerde’, noemt hij een mythe. Net als Schaefer zelf was zijn vader een banketbakker in Amsterdam, maar dan wel een die het zich dankzij twee goedlopende eigen winkels kon permitteren om met een gezin van vier van Amsterdam naar Eindhoven te vliegen om de Brabantse schoonfamilie te bezoeken. De kleine Johannes ging dan ook niet naar de buurtschool in Landlust, waar het gezin Schaefer een appartement bewoonde, maar naar een deftige katholieke school op de Keizersgracht. Na de lagere school werd hij naar het dure internaat van de Bisschoppelijke Nijverheidsschool in Voorhout gestuurd om daar tot ‘rooms-katholieke middenstander’ te worden opgeleid.

Pas nadat zijn ouders waren gescheiden en Schaefer gebrouilleerd was geraakt met zijn vader, werd hij een echte arbeider. Hij ging werken als bakkersknecht in de volkswijk De Pijp, waar hij ten slotte met vrouw en twee kinderen ook ging wonen. Maar zelfs toen was Schaefer geen doorsnee arbeider: al gauw klom hij op tot bestuurder van de vakbond van banketbakkers.

Voor Schaefer de politicus is de waardering niet unaniem groot. Historicus Herman de Liagre Böhl, die met Amsterdam op de helling (2010) de geschiedenis van de Amsterdamse stadsvernieuwing schreef, noemde hem eens een ‘held’, van dezelfde statuur als de grote, vooroorlogse volkshuisvestingswethouders Wibaut en De Miranda. Maar Vrij Nederland-journalist Igor Cornelissen vond hem een ‘overschatte politicus over wie nooit een boek zou worden geschreven’. Zelf velt Hoeks in zijn journalistieke biografie niet expliciet een oordeel over de politieke erfenis van Schaefer. Maar tussen de regels door helt hij over naar het standpunt van De Liagre Böhl.

Op levendige wijze vertelt hij hoe Schaefer in de Pijp eerst een in ludieke acties gespecialiseerde buurtactivist werd, vervolgens een bliksemcarrière in de PvdA maakte en ten slotte in de voetsporen trad van De Miranda. Toen Schaefer in 1978 vanuit Den Haag naar Amsterdam terugkeerde, was de hoofdstad een verkrotte stad vol gaten. Nadat de uitvoering van de talrijke, grootscheepse sloop- en doorbraakplannen van de machtige dienst Publieke Werken midden jaren zeventig was stopgezet na de Nieuwmarktrellen in 1975, was de woningbouw in Amsterdam in het slop geraakt. De ambtenaren van Publieke Werken, die veelal voorstander bleven van grootschalige sloop, botsten met die van Volkshuisvesting, die de voorkeur gaven aan kleinschalige vernieuwingen.

Schaefer, die zich eind jaren zestig als buurtactivist al had gekeerd tegen het streven van het gemeentebestuur om de oude stad te veranderen in een tuinstad, doorbrak de impasse. Hij koos voor ‘bouwen voor de buurt’ en voor de renovatie van oude panden. Al twee jaar na zijn aantreden werden er eindelijk weer meer woningen gebouwd dan gesloopt in Amsterdam, enkele jaren later steeg de woningbouw naar recordhoogte.

Kraakbeweging

Schaefer de wethouder ging net zo onorthodox te werk als eerder Schaefer de staatssecretaris. De ambtenaren van Publieke Werken negeerde hij, of hij bruuskeerde ze met vragen als: ‘Is dit beleid of is hierover nagedacht?’. Ook de machtige kraakbeweging kreeg ervan langs als hij vond dat die te ver ging. ‘Verwende kinderen en voorkruipers’, noemde hij de krakers als die eisten dat grachtenpanden voor henzelf zouden worden verbouwd. Met sommige vastgoedmagnaten in de hoofdstad, zoals Gerard Bakker, had hij voortdurend conflicten, maar met anderen, zoals Maup Caransa, stond hij op zulke goede voet dat hij de verdenking van belangenverstrengeling op zich laadde.

Hoeks schrijft het niet met zo veel woorden, maar hij schetst Schaefer als het soort politicus dat tegenwoordig ‘populistisch’ wordt genoemd. Steeds weer keerde hij zich tegen de elite, niet alleen tegen machtige ambtenaren maar ook tegen zijn hoogopgeleide partijgenoten (‘geparfumeerde drollen’) die in de jaren zeventig steeds meer de dienst gingen uitmaken in de PvdA. Ook sprak hij voortdurend over de ‘gewone mensen’ voor wie hij zich inzette. Toen hij aan het einde van zijn leven politiek uitgerangeerd raakte in de PvdA, die zich overgaf aan het neoliberalisme, deed hij een poging om een nieuwe politieke beweging van de grond te krijgen. Niet toevallig schoof Pim Fortuyn hierbij aan. Schaefer, schrijft Hoeks, was een van Fortuyns helden.

    • Bernard Hulsman