Cultuur

Interview

Interview

Irma Boom

Foto Frank Ruiter / NRC

Boekontwerper Irma Boom: ‘Ik wil inhoudelijke argumenten horen. Anders word ik woedend.’

Boekontwerper Irma Boom (56) is de vrouw achter veel van de opmerkelijkste boeken ter wereld. Ze werkt altijd. „Het woord compromis vind ik afgrijselijk.”

Een paar dagen na het tweede gesprek komt op zondagmiddag een mail van Irma Boom binnen. Of in het verhaal wel naar voren komt dat ze gefocust is. „Ik doe alles met een enorme concentratie.”

Het lijkt tekenend voor Boom (56), de vrouw achter veel van de opmerkelijkste boeken die in Nederland zijn gemaakt. Vormgeven is „zeker niet” het woord om te beschrijven wat Boom doet. Haar bemoeienis met de boeken die uit haar office komen, gaat veel verder dan het maken van goed vormgegeven pagina’s en bijzondere omslagen. Ze is dikwijls nauw betrokken bij de inhoud. Bij de meeste opdrachten begint ze zelfs met „helemaal niks” – behalve het idee om een boek te maken.

Boekmaker

Boekontwerper of boekmaker zijn de woorden die ze zelf gebruikt voor haar beroep. Boom maakt boeken, letterlijk. Voordat er iets op de computer gebeurt, gaat ze aan de slag met pakken papier en lijm om een model te bouwen. Want een boek heeft volume, proportie, gewicht, zegt ze. „Tactiliteit is belangrijk. Mijn boeken zijn geen pdf’s.” De ruim 330 boeken die Boom sinds 1986 maakte, ontstijgen dan ook stuk voor stuk, zo schreef de jury van de Johannes Vermeer Prijs, „het niveau van louter informatiedragers. Het zijn kleine of grotere objecten die tot bewonderen en aandachtig lezen verleiden.” Boom kreeg in 2014 de onderscheiding voor ‘artistiek toptalent’.

Neem haar boek uit 2013 over Chanel No. 5, een boek waar geen drukinkt aan te pas is gekomen. Alle afbeeldingen en tekst zijn met een preeg, in reliëf, aangebracht; een verbeelding van het onzichtbare, maar nadrukkelijk aanwezige karakter van parfum. Of het boek over de Amerikaanse textielkunstenaar Sheila Hicks, Weaving as Metaphor (2006): geen afbeelding van Hicks’ werk op het omslag en zachte, bewerkte sneden die een beeldrijm vormen met de kunst van Hicks. Of haar eigen ‘kleine rode boekje’, Irma Boom, the Architecture of the Book, dat ze maakte naar aanleiding van de tentoonstelling bij de Bijzondere Collecties van de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Het boekje meet slechts 41,4 bij 54 millimeter, maar telt achthonderd pagina’s.

Foto Frank Ruiter / NRC

Ik wil inhoudelijke argumenten horen

Controversieel logo

Irma Boom is ook de ontwerper van de 110 meter lange fietstunnel naast het Centraal Station in Amsterdam, waar op 70.000 handbeschilderde wandtegels een historische scheepsvloot is afgebeeld, en van het logo van het Rijksmuseum, niet onomstreden vanwege de halve spatie die ze midden in het woord zette, tussen ‘Rijks’ en ‘museum’. Een controverse waarover ze zich nog altijd verbaast: „Ik had verwacht dat mensen over de ‘ij’ zouden vallen, omdat ik de ‘i’ en de ‘j’ heb laten samensmelten tot één letter. De meeste bezoekers komen uit het buitenland en Nederland is het enige land waar we de ‘ij’ kennen en als klank uitspreken. Die spatie is noodzakelijk. Door van ‘Rijks’ een los beeld te maken, heb ik ervoor gezorgd dat iedereen het woord ‘museum’ meteen herkent.”

Irma Boom Office, waar doorgaans wordt gewerkt aan zo’n vijftien boeken tegelijk, is gevestigd op de begane grond van het dubbele pand in Amsterdam-Zuid waar ze ook woont met haar vriend Julius Vermeulen. In het kantoorkeukentje pruttelt filterkoffie. Boom is een meisjesachtige verschijning in een iets uitlopende rok, een vestje en op Zweedse klompen. Felrode lippenstift is de enige make-up die ze draagt. Stellige uitspraken laat ze vaak volgen door een vrolijke lach.

Op de eerste verdieping wordt verbouwd; Vermeulen opent dit voorjaar een galerie. Ernaast komt Booms bibliotheek, die ze financierde met de 100.000 euro van de Johannes Vermeer Prijs. Het is de bedoeling dat die toegankelijk wordt voor publiek, dat naast haar eigen werk boeken uit de zeventiende en achttiende eeuw en experimentele uitgaven uit de jaren zestig en zeventig kan komen bewonderen. The New York Times wijdde er al een artikel aan.

Links: No. 5 Culture Chanel (2013). Rechts: SHV Think book 1996-1896 (1996)

Hoge oplage belangrijk

De kasten van de bibliotheek zijn klaar. Er staat pas een handjevol boeken in. Het boek over Sheila Hicks bijvoorbeeld en het afgelopen najaar verschenen boek over Renault, dat gedrukt is op soepel, glanzend aluminium. En een boek van een van haar voorbeelden, Dieter Roth: pagina’s uit stripboeken en kleurboeken, met gaten erin gestanst. Roth maakte het baanbrekende boek rond 1970. „Ik vind het belangrijk dat het gedrukt was in een oplage van duizend exemplaren”, zegt ze.

„Ik houd niet van het unieke boek, het boek als prestige-object. Een boek moet industrieel geproduceerd zijn, het moet de wereld in. Hoe hoger op de oplage, hoe beter. Van 1001 Vrouwen uit de Nederlandse Geschiedenis, het boek dat Els Kloek samenstelde en ik in 2013 heb gemaakt, zijn 20.000 exemplaren verkocht. Dat is ongelooflijk veel voor een wetenschappelijk boek met een miljoen woorden. Er was al een website, maar het boek functioneert beter. Dat zegt iets over de belang dat het boek heeft. Een boek legt iets vast, het heeft een vaste volgorde. Een boek is onveranderlijk.”

Wanneer werd u zich ervan bewust dat boeken ontworpen zijn?
„Als meisje, in Lochem. Er was een boekwinkel, boekhandel Lovink, waar altijd interessante mensen kwamen. Ik ging er op zaterdagmiddag vaak met een van mijn zusjes naartoe. We waren te jong om aan de gesprekken deel te nemen, dus we luisterden en we loerden. Daar heb ik toen boeken van Jan Wolkers gezien, fantastisch ontworpen door Jan Vermeulen.”

Boom is de jongste van negen kinderen. Het gezin, een van de drie katholieke families in het stadje, woonde naast de kerk. Haar vader was „altijd aan het werk”; hij had een bedrijf dat werkkleding maakte, ’s avonds schreef hij liturgieën en zette hij zich in voor ontwikkelingssamenwerking. „Uiterlijk lijk ik op mijn moeder, maar mijn drive heb ik van hem”, zegt Boom. „Ik heb twee assistenten en soms een stagiair – meer wil ik niet, ik wil geen manager worden, ik wil kunnen máken. Als iedereen om half zeven weg is, kan ik me concentreren en begin ik te ontwerpen.” Na het avondeten gaat ze weer verder.

U slaapt wel?
„Niet veel, vijf à zes uur per nacht, wel heel goed. Eerst lees ik de krant in bed.”
En in het weekend gaat dat zo door met werken?
„In mijn kleine rode boekje staat een quote van Baudelaire: ‘Inspiratie is: elke dag werken.’ Als je altijd bezig bent, blijf je nadenken. Ik begrijp niet dat iemand hetzelfde werk doet als ik en daar ’s avonds mee stopt. Wat doe je dan? Ik ben ook veel op reis. Gisteren was ik bij Prada in Milaan, een van mijn opdrachtgevers.”
Hebben uw broers en zussen vergelijkbare beroepen?

Links: Sheila Hicks: Weaving as Metaphor (2006), rechts: Movements 25%: Introduction to a Working Process (2000 en 2012)

„Nee, al heb ik een broer die vroeger creatief was, die maakte keramiek en dat soort dingen. Met een van mijn zussen schilderde ik met olieverf; ik ging naar de AKI in Enschede om kunstschilder te worden. En mijn vader had een klein weefgetouw, we hebben allemaal nog werkjes van hem. Toen ik kennis maakte met het werk van Sheila Hicks, moest ik daaraan denken. Maar ik houd meer van Daan van Golden en abstracte en conceptuele kunst.”

Waarom hebt u dan een boek over haar gemaakt?
„De fotograaf Josef Koudelka, een vriend van Sheila, had in een boekwinkel mijn postzegeljaarboekjes uit 1988 gevonden en die aan haar laten zien. ‘Eindelijk iemand die jouw boek kan maken.’ Ik had nog nooit van haar gehoord, maar ik ben wel nieuwsgierig dus ik ben naar Parijs gegaan. We zijn aan tafel gaan zitten en hebben de hele dag gepraat. We zijn allebei begonnen als schilder. Zij was de eerste vrouwelijke student aan Yale, ik geef daar al 25 jaar les. Door zo veel tijd met haar door te brengen, heb ik haar kunst leren kennen en waarderen. Het is een heel precies boek geworden, het werk is subliem gefotografeerd.”

Foto Frank Ruiter / NRC

Smaak kan me niets schelen

Waarom bent u gestopt met schilderen?
„Ik was niet goed genoeg, merkte ik op de AKI. En ik mis die innerlijke noodzaak, ik heb een opdracht nodig. Door de school dwalend kwam ik een docent tegen, Abe Kuipers, een kunstenaar en typograaf die elke woensdag met een koffer boeken naar school kwam. Ik liep zijn klas binnen, hij vertelde over inhoud en vorm, hij las poëzie voor. Ik hield altijd mijn jas aan op school – ik voelde me verloren en wilde altijd weg kunnen lopen, ik doe dat nog steeds. Alleen bij Abe deed ik het niet. Ik dacht: dit is het. En toen begon hij ook nog over de Wolkers-boeken van Jan Vermeulen. De eerste boeken die ik zelf maakte, vond hij vreselijk. Ik heb doorgezet: ik merkte dat een boek eindeloze mogelijkheden heeft, zowel qua vorm als qua inhoud.”

Na haar afstuderen kon ze kiezen uit vijf banen. Ze koos „het saaiste bureau”: Staats Drukkerij- en Uitgeverijbedrijf (later Sdu), destijds daadwerkelijk nog een staatsbedrijf. „Ik kreeg daar de positie van ontwerper, niet van assistent. Maar ik was doodsbenauwd. Ik dacht: al die mensen hier weten alles en ik weet niks. Ik was ook immens verlegen. Ik durfde iemand nog net aan te kijken als ik me voorstelde, maar daarna… Ik verstopte me altijd achter mijn haar. Ik heb dat echt moeten overwinnen.”

De Sdu bleek „een walhalla”. „De chef liep langs met ordners vol opdrachten. Ik nam alle leftovers aan, de dingen die niemand anders wilde doen. Ik heb eindeloos omslagen van nota’s voor ministeries zitten maken, vierkanten die moesten worden ingevuld. Omdat ik geen prestigeprojecten deed, kon ik doen wat ik wilde. Ik heb de meest wilde advertenties voor postzegeljaarboekjes ontworpen. Laatst gaf ik een lezing, en de jonge mensen in de zaal vroegen me steeds opnieuw: ‘Wat is uw strategie?’ Er is geen strategie. Maken, experimenteren, ook aandacht hebben voor de kleine opdrachten, het steeds beter willen doen: dat is het. En doorgaan. Ik laat me niet uit het veld slaan. De Amerikaanse opdrachtgever van het boek van Sheila Hicks heeft me op een gegeven moment ontslagen; ze was niet gewend aan een ontwerper met een mening. Ik heb het genegeerd. Ik was al vier jaar met dat project bezig! Later heeft ze gezegd dat ik haar de ogen heb geopend. Ik maak nu al haar boeken.”

Grote doorbraak

Booms postzegeljaarboekjes waren de eerst belangrijke opdracht die ze bij Sdu kreeg. „Een beloning voor vier jaar onder de radar werken.”
Niet alleen toonden ze de Nederlandse postzegels die in 1987 en 1988 waren uitgegeven, er stond op Booms verzoek ook een essay in over ‘voor-beelden’. Ze nam ook de beeldredactie op zich, „het was ongebruikelijk dat een ontwerper dat zelf deed” – en plaatste afbeeldingen van autonome kunst naast de postzegels. „Ik wilde zeggen: alles wat je bedenkt, bestaat al. Waar het om gaat is: hoe geef je het nieuwe betekenis? Maar het was tricky.” Zeker zo gewaagd was dat de teksten in vierkanten waren geplaatst, zonder alinea’s en afbreekstreepjes. „Ik was helemaal into Malevitsj.”

De boekjes waren „een revolutie” en wonnen „elke prijs die je maar kon krijgen”. Het was ook voor het eerst dat Sdu-boeken beloond werden door Stichting de Best Verzorgde Boeken. „Maar het juryrapport was hel”, zegt Boom. ‘Een briljante mislukking’, werd het genoemd. „Ik heb een doos vol boze brieven, van filatelisten, van collega’s.”

Grafisch ontwerper Anthon Beeke bood haar een baan aan: met iemand met zoveel lef wilde hij wel samenwerken, vertelde hij haar. Ze ging uiteindelijk niet op het aanbod in, maar het gaf haar wel de moed na vijfenhalf jaar haar baan op te zeggen. Het laatste dat ze ontwierp voor Sdu was een boek voor een conferentie over kunst, wetenschap en spiritualiteit. Zelf vond ze het resultaat „een soort reader”, maar het trok de aandacht van Paul Fentener van Vlissingen, die haar in 1991 vroeg een boek te maken over zijn familiebedrijf, SHV. Kunsthistoricus Johan Pijnappel en Boom kregen vijf jaar de tijd om het jubileumboek voor aandeelhouders en topmanagers te maken. Het werd een 3,5 kilo wegend, 2.136 pagina’s tellend boek, dat begint met getallen en grafieken die met gaatjes in de bladzijden zijn aangebracht. Paginagroot staan er zeventig vragen in als ‘Why did you get up in the morning?’.

Links: James Jennifer Georgina (2010), rechts: The Sky Diary (2013)

Het papier, dat zeker 500 jaar moet meegaan, werd volgens haar eigen recept geproduceerd. Er was een Engelse (4.000 exemplaren) en een Chinese (500) editie. Het werd haar grote doorbraak. Boom: „We zaten toen op het keerpunt van analoog naar digitaal en waren eerst van plan een cd-rom te maken. Maar de techniek daarvoor stond nog aan het begin, dus het was duidelijk dat die zich snel ging ontwikkelen. In plaats daarvan hebben we een boek gemaakt met de structuur van het internet. Er zijn geen paginanummers en er is geen inhoudsopgave, je moet browsen en komt zo dingen tegen waar je niet naar op zoek was.”

Met Fentener van Vlissingen bleef ze samenwerken tot zijn dood, in 2006. „We maakten elk jaar een boek. Hij kwam steeds met een idee: buffels in Afrika, bijvoorbeeld – hij had er een wildpark. Maar ik kreeg totale vrijheid.” Om het buffelboek zit een omslag van schuurpapier, om de wrijving tussen vrijheid en gevangenschap van de dieren te illustreren.

Lettertype speciaal voor haar gemaakt

Is totale vrijheid bij het ontwerpen soms ook eng?
„Ja, daarom stel ik mezelf grenzen. Ik concentreer me op één aspect. Sheila Hicks heeft een omvangrijk oeuvre, maar ik heb me beperkt tot haar miniaturen. Ik gebruik altijd ook maar twee lettertypes. De Plantin, een klassieke schreefletter, en de Neuzeit S IB; de Neuzeit S, is speciaal voor mij gecustomized.

Ik blijf eindeloos proberen – het is goed dat er deadlines zijn

Die Neuzeit heeft alleen een ‘book’ en een ‘heavy’, daar kan ik eigenlijk alle typografie mee doen. Hetzelfde doe ik met mijn kleding. Ik vind het fijn om alleen maar vestjes en rokjes te dragen, in zwart en donkerblauw. Die rokjes kan ik blind bestellen bij Alexander van Slobbe. Het is fijn om een soort uniform te hebben. Ik moet al zoveel beslissingen nemen voor mijn werk. Ik heb ook maar één kast, Julius…” Ze lacht en maakt met haar armen een breed gebaar.”

Hoe weet u of het goed is wat u heeft gemaakt?
„Dat weet je nooit. Ik experimenteer, ik probeer iets, ik blijf eindeloos proberen – het is goed dat er deadlines zijn. Over dat Renault-boek zegt iedereen: o, wat geweldig. Maar bij mij duurt het even voor ik weet of iets goed is. Ik ben gewoon iemand die een idee heeft. Tijdens het gesprek met een opdrachtgever komt het meestal meteen: dat ga ik doen! Ik kan het dan ook niet meer loslaten.”

Komt zo’n idee ook wel eens niet zo snel?
„Ja, en dan houdt het meteen op. Want dan komt het ook niet meer.”

Hoe vaak zegt u nee?
„In 50 procent van de gevallen. Het enige dat telt is: kan ik er iets mee? Wat zit er voor mij in? Ik ga niet een boek maken dat iemand anders kan maken.”

Loopt het halverwege een project wel eens spaak?
„Projecten gaan soms niet goed, nee. Als ik niet verder wil, stop ik. Maar dat is bijna nooit gebeurd.”

Zegt u achteraf wel eens: dit is echt niet gelukt?
„Een boek over een Amerikaanse kunstenaar is een mislukking geworden. Ik heb vertrouwen nodig en dat heeft hij me niet gegeven. Hij belde me elke avond op vanuit New York en ik raakte totaal verkrampt. En een collega-ontwerper heeft bij het verschijnen van de monografie over hem gezegd dat het niet zijn boek was, maar mijn boek.”

Was het daarom een mislukking?
„Hij had een punt, maar ik ben blij met het boek: ik heb zijn werk weer actueel gemaakt.”

Gisteren zei iemand het nog: ‘Je weet dat mensen bang zijn voor je, hè?’

Hoe gaat u om met kritiek?
„Dat vind ik moeilijk. Smaak kan me in elk geval niks schelen. Ik werk vanuit een idee, dus ik wil inhoudelijke argumenten horen. Anders word ik woedend.”

Zijn mensen bang voor u?
„Gisteren zei iemand het nog: ‘Je weet dat mensen bang zijn voor je, hè?’ Maar ik ben totaal niet bezig met wat men van mij vindt. Ik ben trouw aan mijn ideeën en ik heb daar veel discussie voor over. Daar moet je tegen kunnen. Voor mijn werk heb ik alles over. Het woord compromis vind ik afgrijselijk, echt afgrijselijk.”

Sluit u privé wel compromissen?
„Dat weet ik niet, dat is totaal iets anders.” Later laat ze vallen dat ze haar haar eigenlijk liever kort zou willen, maar het lang draagt omdat haar vriend dat mooi vindt.

Waar heeft u uw vriend leren kennen?
„Bij de Sdu, dertig jaar geleden. Julius is opgeleid als grafisch ontwerper, maar was daar een jaar om te assisteren bij de privatisering. Hij is de zoon van Jan Vermeulen, van die fantastische omslagen van Jan Wolkers, de reden dat ik dit werk ben gaan doen. Dat kan haast geen toeval zijn.”

Dat wist u al toen u hem ontmoette?
„Nee, nee, nee. Ik zat te werken, verstopt achter mijn haar, en hij kwam binnen – ik had geen idee wie hij was. maar ik wist meteen: dit is hem.”