‘We zijn beiden nogal fanatiek’

Van pianobroers Arthur (20) en Lucas Jussen (24) is de vijfde cd verschenen. „Als duo hebben we iets extra’s, zijn we een zeldzaamheid. Dat is heel waardevol.”

Over hun jeugd kun je een boek volschrijven. Dat gebaseerd zal zijn op zeldzaam rijk materiaal, want de pianistenbroers Lucas en Arthur Jussen, nu 24 en 20, verschenen al in kranten en op tv toen ze nog wonderkleuters met hoge aaibaarheidsfactor waren.

De laatste vijf jaar is de schattigheid soepel verruild voor een hunkfactor. Sportlijven in strakke pakken van couturier Peter George d’Angelino Tap – en desnoods poseren de broers ook zónder broek, zoals voor hun cd Jeux (2014). „Maar dat deden we niet om commercieel te zijn”, zegt Arthur. „Sterker: ik denk dat je met zo’n stunt binnen de klassieke muziek ook een potentieel publiek afstoot. Maar wij vonden die onderbroeken gewoon grappig.”

Lucas: „We zijn jonge jongens in een niche vol ouderen. Moeten wíj ons dan aanpassen en in een tweedjasje met stropdas poseren?”

Arthur: „Mensen denken vaak dat we ons mooi aankleden omdat we heel commerciële jongetjes zijn. Maar als niemand kijkt en we privé uit eten gaan in een goed restaurant, trekken we ook een mooi pak met een pochet aan. Omdat we dat leuk vinden.”

De Jussens promoten hun cd op het kantoor van Universal Music, dat tot nu toe al hun vijf cd’s uitbracht. Met de glamourfactor valt het mee; ze sjouwen zelf kartonnen dozen met het nieuwste album door de gangen. „Wat dacht jij dan?”, zegt Lucas met een lach. „Zo goed zijn we nog niet hoor.”

Met elkaar spreken ze Limburgs dialect. „Ja, erg hè?”, lacht Arthur. „Dit was Maastrichts. Daar komt onze moeder vandaan. Maar het dialect uit Vaals, van onze vader, spreken we ook. Dat is vooral leuk als je dáár bent. Dan hoor je er echt bij.”

Voor de broers wordt het een spannend jaar – al kun je dat waarschijnlijk van alle jaren in hun leven zeggen. Zo gaan ze het ouderlijk huis in Hilversum verruilen voor een appartement in Amsterdam. „Wij allebei”, knikt Arthur. „Maar niet samen”, pareert Lucas. „Elk een eigen appartement. Een beetje privacy is ook wel leuk, soms.”

Jullie hebben een volle concertagenda. Studeren jullie nog ergens ‘officieel’?

Arthur: „Ik krijg nog steeds lessen van Jan Wijn, hoofdvakdocent aan het conservatorium van Amsterdam. Soms twee keer in de week, soms een maand niet. Maar van het conservatorium zelf ben ik af, dat was niet meer te combineren. Ik heb er wel over nagedacht of ik niet nog in het buitenland moest gaan studeren. Maar ik voel me zo prettig bij Wijn, waarom zou je dan? Pas als ik niet meer voldaan van les kom, ga ik verder kijken. En daar zie ik streng op toe, anders heb ik mezelf ermee.”

Lucas: „Ook ik ben van mijn studie uit Madrid teruggekomen. Natuurlijk kun je denken: ik ben nog zo jong, ik kan beter onderduiken en me wat langer puur op mijn ontwikkeling richten. Maar ik heb op het conservatorium gezien hoe alle pianisten hopen op maar één ding: een kans te mogen spelen. 99,5 procent krijgt die kans nooit. Wij wel, continu. Moet je die concerten dan afslaan en denken: over een paar jaar komen ze wel weer? Zo werkt het niet, dat zou een bijna arrogante gedachte zijn. Kansen moet je grijpen als ze zich voordoen.”

Arthur: „Van de dirigenten met wie we werken, leren we ook. Of het nou de Mozartstijl is van Sir Neville Marriner of nu de fijne kneepjes van het Franse repertoire met Stéphane Dénève.”

Hoeveel concerten geven jullie?

Lucas: „Een stuk of zestig, waarvan 70 procent als duo. In Nederland is er vanuit de orkesten ook het vertrouwen om ons solo uit te nodigen. Maar in het buitenland zijn we minder bekend en is dat nauwelijks aan de orde.”

Arthur: „We ambiëren dat ook niet meteen.”

Lucas: „Het is ook een kwestie van realisme. In Berlijn lopen nog honderd superpianisten rond, waarom zouden ze mij vragen? Als duo hebben we iets extra’s, zijn we een zeldzaamheid. Dat is, een beetje plat gezegd, heel waardevol.”

Foto Carli Hermes

Even een afgekloven vraag: hoe verschillen jullie qua persoonlijkheid?

Lucas: „Lastig. Het verandert ook. Vroeger nam ik meer het woord, maar dat is voorbij. Arthur is heel eerlijk in wat hij voelt en denkt, en steekt dat niet onder stoelen of banken. Als hij iets niet goed vindt, muzikaal of in de organisatie eromheen, krijgt diegene dat wel te horen. Ik ben terughoudender.”

Arthur: „Dat direct-zijn is niet altijd handig. Lucas is rustiger, overziet de dingen beter.”

Als jullie tennissen, is Arthur degene die met rackets smijt?

Arthur: „Vroeger, absoluut. Nu kook ik nog wel van binnen, maar laat dat niet meer zien. Maar we zijn beiden fanatiek.”

Lucas: „Natuurlijk. Niks ergers dan mensen die zeggen dat tennis maar een spelletje is. Zoals mama vroeger, als we met onze ouders dubbelden. En ja hoor, dan stond je weer met 30-0 achter.”

Arthur: „Niet leuk.”

Waarom ging jij ooit piano spelen, terwijl je broer het ook al deed?

Arthur: „Juist daaróm denk ik, Lucas was altijd aan het studeren met onze vader of moeder en toen ik een instrument mocht kiezen schijnt het dat ik de viool ook nog genoemd heb. Maar het is toch de piano geworden.”

Hoe lang duurde het voor jullie even goed waren?

Lucas: „Dat is nog steeds niet zo. Nee, grapje. Dat ging vrij snel.”

Hoe ziet de toekomst eruit? Blijven jullie een duo? Wat als één van de twee solo carrière maakt?

Arthur: „We zijn als duo nog lang niet uitgespeeld. Maar je weet nooit of er vraag naar blijft.”

Lucas: „Onze ouders zeggen altijd: de kans dat er één wel doorbreekt en de ander niet, is groter dan omgekeerd. We boffen dat we tot nu toe zo gelijk opgaan. Maar als dat anders gaat, dan accepteren we dat. Denk ik. Hoop ik. Het is vooralsnog een beetje een what if? Ik kan nu wel zeggen dat ik rustig zou blijven, en het Arthur volledig zou gunnen, maar misschien zou ik het wel verschrikkelijk moeilijk vinden.”

Arthur: „Ik denk dat het vooral voor onze ouders moeilijk zou zijn. Dat het nu allemaal zo goed gaat met ons beiden is leuk, maar ook eng, breekbaar. Het kan zo makkelijk misgaan. Die mogelijkheid blijven we dus benoemen, en daardoor ervaren we het nog steeds als bijzonder dat het wél goed gaat.”

Hoe ontwikkelen jullie je repertoire? Veel groot pianorepertoire spelen jullie ook niet.

Arthur: „Het ligt aan de vraag. Van Ravel speelt Lucas het Concert in G en ik dat voor de linkerhand. Dan ga ik niet dat in G instuderen.”

Lucas: „Met een horizon van twee jaar studeren we de stukken die gepland staan. En als er tijd over is, méér. Maar er is inderdaad ook veel wat we echt nog niet willen spelen.”

Arthur: „Concerten van Brahms, Tsjaikovski, Rachmaninov.”

Lucas: „Of de late Schubert-sonates. Moet je daar nou als 24-jarige mee komen? Hmm.”

Jullie nieuwste cd bevat een nieuw stuk van Fazil Say. Deutsche Grammophon had eerder een pianobroertjesduo, de Kontarsky’s, die speelden veel eigentijdse muziek. Is dit een incident, of volgen jullie hen na?

Arthur: „We hebben eigenlijk altijd al veel eigentijdse muziek gedaan. Theo Loevendie, Hanna Kulenty, en er liggen thuis ook nog dingen op de plank. Op dit moment componeert Joey Roukens een stuk voor ons in de ZaterdagMatinee, en Dobrinka Tabakova een nieuw werk voor met Amsterdam Sinfonietta.”

Lucas: „We vinden dat ook leuk, en goed. Het slechtste wat je als jong musicus kunt doen, is je beperken tot het repertoire dat je makkelijk afgaat. Daarom hebben we ook ja gezegd tegen Mantra van Stockhausen, op het Holland Festival. Omdat het lekker schuurt met ons onterechte imago als die jongetjes die leuk Schubert en Mozart spelen.”

Arthur: „Met de voorbereiding van Mantra zijn we druk bezig. Vijf kwartier muziek…. en ingewikkeld, in zekere zin. Elke noot is logisch, maar je moet je die logica eigen maken. Dat is een heel interessant proces. In zekere zin benaderen we Stockhausen gewoon alsof hij Mozart is. Dat klinkt gek, maar ik zie echt verwantschap, vooral in de hechtheid van de vorm.”

Vijf duo-cd’s is scheepsrecht. En nu, toch een solo-cd?

Lucas: „Nee, de volgende duo-cd is al gepland. Al wordt er over solo-cd’s ook wel gesproken.”

Arthur: „Maar niet concreet.”

Lucas: „De wil vanuit onszelf is er ook niet zo. Het fijne met de recitals die we samen spelen, is dat we altijd én solo én duo spelen. Concerten met alleen repertoire voor piano vierhandig nemen we niet aan.”

Maar dat kan toch ook leuk zijn? En als Carnegie Hall belt…

Lucas: „Nee, écht niet. We spelen óók het solorepertoire. Dat is principieel.”

Arthur: „En de opbouw van een programma wordt gewoon honderd keer interessanter met die afwisseling.”

Over interessante programmering: op de cd is Saint-Saëns’ ‘Carnaval der dieren’ de hoofdmoot. Is dat niet een beetje voorspelbaar?

Lucas: „Het gaat om de inbedding, de balans. Het nieuwe stuk van Fazil Say is ernstig, vol van pijn. Het concert van Poulenc speels én ernstig. En Saint-Saëns is gewoon toegankelijk.”

Arthur: „En het is gewoon goeie muziek. Daar gaat het om, en daaraan zullen we nooit concessies doen. Cross-overs? Filmmuziek? Einaudi? Glass? De platenmaatschappij zegt meteen ja. Maar wij zeggen nee.”

Lucas & Arthur Jussen: Saint-Saëns | Poulenc | Say met o.a. RCO o.l.v. S. Dénève. (Deutsche Grammophon). Mantra van Stockhausen. 24/6 Concertgebouw Amsterdam. Inl: hollandfestival.nl
    • Mischa Spel