Recht & Onrecht

De politie lost doorgaans geen maatschappelijke problemen op

Moeten we wel zo blij zijn met meer aandacht en meer budget voor veiligheid en politie, vraagt Piet van Reenen zich af, in de Politiecolumn.

Forensisch onderzoek bij de auto waarin een man gewond is geraakt toen hij onder vuur werd genomen. Foto Evert Elzinga/ANP

Het ziet er goed uit voor de politie. De politieke partijen die, zoals het er nu naar uitziet centraal  zullen staan in de formatie  van een nieuw kabinet, hebben allen veiligheid en politie hoog in het vaandel staan. Extra budget, meer mensen, meer steun, meer belang.

Die aandacht komt niet uit de lucht vallen. Het gevoel van onveiligheid is nagenoeg het belangrijkste thema van deze verkiezingen geweest en het heeft burgers en politici massaal naar de rechterkant van het politieke spectrum doen neigen. Burgemeesters, leden van het O.M. politiechefs  en wetenschappers vroegen  in de aanloop naar de verkiezingen in de media  aandacht voor de verschillende prangende gaten in het veiligheidsbeleid: de georganiseerde drugscriminaliteit in het Zuiden die de “bovenwereld”  bedreigt, de doorgaande terreurdreiging van radicaliserende jongeren en teruggekeerde jihadisten, het internet als nieuw groeigebied voor misdaad die loont, de oude stadswijken waarin onrust op de loer ligt en waar de gevoelde onveiligheid groter is dan elders.

En natuurlijk het verschijnsel van de liquidatie, niet langer een tijdelijk malheur dat met een forse politie inzet tot een einde komt, maar een treurige permanent wordende realiteit waaraan het toch maar heel moeilijk wennen is en waarvan veel mensen  zeggen: maak daar toch een eind aan!

Niet exclusief politieprobleem

Het is natuurlijk nog maar afwachten wat er allemaal terecht komt van alle door politieke partijen  gewekte verwachtingen ten  aanzien van veiligheid en politie, maar het ziet er voorlopig behoorlijk zonnig uit. Reden tot tevredenheid dus.  Maar let op, er is eigenlijk eerder reden tot zorg dan voor tevredenheid. Het betekent een  behoorlijke verschuiving van het perspectief. Toen  in 1997,  de toenmalige burgemeester Peper met zijn nieuwe hoofdcommissaris Lutken in het destijds verloederde Spangen  ging kijken, vroeg hij “mijnheer Lutken, hoe denkt U dit te gaan oplossen”? De reactie van de nieuwe korpschef was: “burgemeester, hoe denkt U dat WIJ dat gaan oplossen”  (P.van Reenen, Politiechefs 2016).  Criminaliteit en onveiligheid zijn, zo was zijn boodschap, niet exclusief een politieprobleem. Misschien zelfs niet in de eerste plaats.

Investeren in de politie en in veiligheidsbeleid schept verwachtingen; terecht. Maar wat als de onrust over veiligheid onder de bevolking  niet met criminaliteit te maken heeft? Als er oorzaken voor angst, boosheid en verontrusting zijn  die buiten het bereik van de politie en het veiligheidsbeleid liggen. Of wanneer het instrumentarium van de politie niet geschikt is om die onrust weg te nemen. Wat, wanneer het veel meer blijkt te gaan om de terugkeer naar een vaste baan en een stabiel bestaan (T.J. Meeus in de NRC van 21 maart),  om de hantering van immigratie, om scholing, jeugdbeleid, werkgelegenheid of  volksgezondheid? Wat wanneer het vooral gaat over opvoeding?

Onrust en verzet

Dan helpt meer politie maar een klein beetje, if at all. Zelfs als die, wat ik niet zou hopen, ook achter de voordeur zou mogen komen. Op de keper beschouwd is het steeds de kwaliteit van het bestuur en het overheidsbeleid die bepalen hoeveel werk er over blijft voor de politie. Hoe lager die kwaliteit, hoe slechter in andere woorden het bestuur van het land, van provincies en van gemeenten is, hoe meer werk voor de politie. En het is de kwaliteit van de politiek die de mate van legitimiteit van het handelen bepaalt. Hoe problematischer  de legitimiteit van politiek handelen, hoe groter de kans op onrust en verzet.

De opmerking van de oude Thorbecke, halverwege de negentiende eeuw,  dat hij een politie wenste waarvan zo weinig mogelijk gezien en gehoord zou moeten worden, was dus geen diskwalificatie van de politie, maar een respectabel en ambitieus uitgangspunt voor politiek en bestuur. Besturen doe je op basis van kwaliteit en acceptatie, niet op basis van de sterke arm.

Die arm is in reserve, je ziet en hoort haar niet. Ze zit in de politie-”wacht”, de term is veelzeggend. Als dat ideaal nog steeds geldt, dan is teveel gejuich binnen het bestuur en de politie om het binnenhalen van meer budget veeg teken. Het doet vermoeden dat  er onvoldoende bewustzijn is van de risico’s van de in het verschiet liggende centralere politierol. Budgetverruiming voor de politie  richt de aandacht op een tak van het overheidshandelen die doorgaans geen maatschappelijke problemen oplost. Leunen op je politie voor de aanpak van maatschappelijke problemen leidt onveranderlijk tot teleurstelling, behalve als je repressie als het belangrijkste  middel van overheidsbeleid beschouwt. Het uitzicht op budgetverruiming is dus minder zonnig dan het lijkt en er is eigenlijk nauwelijks reden tot tevredenheid. Eerder tot zorg. Politie, let op u  saeck.

Minder politie

Het zou verstandig zijn wanneer de nationale korpschef  alvast zou  beginnen zich voor te bereiden op de volgende verkiezingen. Zijn boodschap moet dan luiden: met minder politie kom je verder. Leg de last van het fatsoenlijk en succesvol besturen van het land daar waar hij hoort, buiten de politie. De budgetverruiming voor de politie voor de nieuwe kabinetsperiode als tijdelijke steun. Het is jammer dat Lutken, de Rotterdams hoofdcommissaris die het korps er weer bovenop hielp,  vorig jaar overleden is, hij zou de nationale korpschef goed van pas gekomen zijn.

De Politiecolumn wordt wekelijks geschreven door deskundigen uit de wereld van politie en wetenschap. Piet van Reenen was politieman, onderzoeker, directeur van de Politieacademie en hoogleraar Politie en Mensenrechten.

    • Piet van Reenen