Zó anders is het niet in een dorp

Stad-platteland

Afstanden in Nederland zijn te klein om grote verschillen te veroorzaken tussen stad en platteland. Het verschil zit tussen dorpen onderling.

Foto Rien Zilvold

Leven in een dorp is prima te doen, knikken drie mannen aan de toog van café ’t Zwarte Paard in het Zuid-Hollandse dorp Noordeloos. „Het is hier lekker rustig”, zegt de een. Er wonen zo’n achttienhonderd mensen. Nadeel is wel, grapt een ander, „dat je hier ’s avonds zo lang rondjes moet rijden om een parkeerplaats voor je auto te vinden”. Bulderend gelach. Uitbater Bianca van der Heiden zet glazen bier neer. „Er is hier een grotere sociale controle”, vertelt ze. „Daar zitten twee kanten aan. Ik vind het zelf erg prettig dat iedereen let op mijn dochter van drie. Anderzijds weet in een dorp iedereen ook wat je uitspookt.”

In Nederland bestaan natuurlijk heus wel verschillen tussen stad en platteland, zo blijkt uit een studie van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) die deze donderdag verschijnt, Dorpsleven tussen stad en land. Terwijl de bevolking in de stad almaar stevig groeit, is die op het platteland sinds 2010 aan het krimpen. Ook zijn de dorpen aan het vergrijzen, vooral doordat jongeren vertrekken om er steeds vaker nooit meer terug te keren. En inderdaad hebben veel kleine dorpen de laatste decennia geen eigen supermarkt, bakker of slager meer, en is alleen nog een basisschool over. En als we het hebben over armoede, „dan is die in afgelegen dorpen het grootst”, zegt SCP-onderzoeker Anja Steenbekkers.

Maar de verschillen tussen stad en platteland zijn niet dramatisch in omvang, en niet vergelijkbaar met die in bijvoorbeeld Frankrijk of Spanje. Daarvoor zijn de afstanden in Nederland simpelweg te klein, een stad is meestal nooit verder dan een half uur rijden verwijderd. Ook de mentaliteit onder plattelanders is niet zo veel anders dan onder stedelingen, ook al wil het cliché dat plattelanders nu eenmaal liefdevol vasthouden aan hun dialect, de warme middagmaaltijden en schuttersfeesten. „Plattelanders zijn mentaal verstedelijkt”, zegt Steenbekkers. Van een „algehele teloorgang” van voorzieningen in dorpen is bovendien „geen sprake”, zo staat te lezen in het rapport.

Rijke en arme dorpen

Veel belangrijker dan de verschillen tussen stad en land, meldt het rapport, zijn de verschillen tussen de dorpen onderling. Dorpen die dicht bij een stad liggen, zijn in verhouding „bijzonder welvarend”. Ze hebben vrijwel niets gemerkt van de economische crisis, de welstand in kleine dorpen dicht bij een stad is zelfs voortdurend blijven stijgen, en de bewoners zijn er over het algemeen véél beter af dan in afgelegen, „minder gewilde” dorpen. Daar wonen de mensen met de laagste inkomens, en vooral afgelegen dorpen hebben „een duidelijke dip in de welstand doorgemaakt”.

Toch is de „kloof” tussen deze types dorpen de afgelopen jaren niet vergroot, stelt het planbureau. Bovendien zijn de verschillen tussen kleine, vergrijsde dorpen in krimpgebieden en vergelijkbare dorpen daarbuiten „niet groter” geworden. Steenbekkers: „Dat hadden we onder invloed van de crisis wel verwacht.”

De voorzieningen in deze veel beklaagde dorpen zijn wel wat minder geworden, maar toch zijn de bewoners er niet ontevredener op geworden. Naar de oorzaak blijft het een beetje gissen, maar SCP-onderzoeker Anja Steenbekkers signaleert wel een „sociale vitaliteit” in dorpen van krimpgebieden zoals Noordoost-Groningen, Noord-Friesland en en Zeeuws-Vlaanderen. „Als het slecht gaat, zetten de mensen er zelf de schouders onder.” De door het demissionaire kabinet zo vurig bepleite participatiesamenleving floreert. „De bewoners vechten voor het behoud van de laatste basisschool of een winkel.” Ze zorgen gezamenlijk voor een buurtbus of verenigen zich voor het behoud van een sportclub of zorgtaken voor ouderen. „Zodat iemand uit het dorp hen helpt met het aantrekken van steunkousen.”

Lees ook: Deze stadsmensen verhuisden tien jaar geleden naar het platteland. Hoe gaat het nu?

Meer aandacht is gewenst

Dit alles neemt niet weg dat de dorpen, al of niet gelegen in krimpgebieden, wel wat meer aandacht van de overheid kunnen gebruiken. „Mensen op het platteland voelen zich niet begrepen”, zegt Steenbekkers. De gelden uit de gaswinning in Groningen zijn door achtereenvolgende kabinetten veelal gestoken in de grote steden, en dat was tijdens de economische crisis niet anders. „Terwijl mensen in Groningen met aardbevingsschade zitten.”

Ook in Zeeland hebben veel mensen het gevoel dat de bestuurders in de Randstad hen enigszins negeren. „Mensen moeten in Zeeland grote afstanden overbruggen. Treinverbindingen naar de Randstad zijn voor hen heel belangrijk. Maar die zijn slecht. De Zeeuwen hebben het gevoel dat bestuurders geen idee hebben wat het betekent om op het platteland te wonen. Ze hebben het gevoel dat er niet goed naar hen wordt geluisterd.”

Huizen zijn nog betaalbaar

De plattelandsbevolking maakt met vijf miljoen bewoners ongeveer 30 procent uit van de Nederlandse bevolking. Het grootste deel daarvan, ongeveer drie miljoen mensen, woont in afgelegen dorpen, waarvan 1,8 miljoen in kleine afgelegen dorpen. Hoe de krimp zich op het afgelegen platteland zich de komende jaren zal gaan ontwikkelen, durft het Sociaal en Cultureel Planbureau niet te voorspellen. Maar het zou goed kunnen dat óók dorpen die niet pal tegen steden aan liggen, straks worden bevolkt door jongere stedelingen.

Dat denken ze ook in café ’t Zwarte Paard in Noordeloos. „Je zit hier op een kwartier van Gorinchem en op een half uur van Utrecht, Rotterdam en Breda”, zegt een van de mannen. Logisch dus dat mensen die in het dure Utrecht geen huis kunnen vinden, straks naar plaatsen als Noordeloos komen. „De huizenprijzen zijn hier nog niet zo hoog.”

De mannen nemen een slok bier en lachen naar elkaar. Elders in het café klotsen biljartballen. De avond valt. Buiten fluiten de vogels. Het leven in een dorp is zo gek nog niet.