Opinie

Jij bent te dom om onze romans te lezen

Het literaire bedrijf vervreemdde zich in zelfbevestigende clubjes van de lezer. Laat je niet intimideren door deze aristocratie van aanstellers, betoogt .

'De Herenclub', een doek van kunstenares Marike Bok. 16 vooraanstaande heren uit de wereld van kunst, wetenschap, literatuur en politiek. Op de eerste rij Harry Mulisch.

Het thema van de Boekenweek, ‘Verboden vruchten’, heeft iets ironisch. In de begeleidende tekst wordt de nadruk gelegd op seks, alcohol en drugs – genotmiddelen die alleen maar verleidelijker worden zodra ze verboden zijn, zoals de Bijbelse appel waar de uitdrukking op gebaseerd is.

De literatuur zou zelf ook in dit rijtje kunnen staan: romans vormen een uitstekend middel tegen de verwarring waar we elke dag mee worstelen. Een redacteur stuurde me ooit een gepassioneerde mail waarin hij als een echte junk klonk: „Heb jij ooit wakker gelegen van een boek, omdat je uit enthousiasme niet kon verwoorden wat je zo prachtig vond? Heb je je laatste geld weleens uitgegeven aan een boek dat je per se wilde hebben? Ben je, kortom, ooit weleens gegrepen of weggemaaid door de literatuur?”

Toch heeft deze vorm van zelfmedicatie tegenwoordig veel minder aantrekkingskracht – omdat het te ver van ons af staat. Afstand is sexy, maar als je de vrucht niet meer kan zien, neemt de interesse snel af.

Op zich gaat het goed met de boekenmarkt: in 2016 werden er in Nederland 40,7 miljoen boeken verkocht – meer dan het jaar ervoor, zo juichte het jaarlijkse rapport van de Leesmonitor. Maar uit hetzelfde onderzoek bleek ook dat slechts 68 procent van de aankopen daadwerkelijk gelezen wordt – waarschijnlijk omdat boeken vaak als vluchtig cadeau dienen. „De titel deed me aan jou denken”, verklaar je dan zenuwachtig terwijl de jarige De Necrofiel van Gabrielle Wittkopf uitpakt (wel een aanrader trouwens – over verboden vruchten gesproken). Uit een analyse van NRC bleek bovendien dat er de afgelopen twintig jaar steeds minder Nederlandse romans worden gelezen.

Die hautaine uitstraling

Waarschijnlijk gaat het mis tijdens die vreselijke periode waarin de meesten van ons voor het eerst door verboden vruchten worden verleid: de puberteit. Onlangs mocht ik voor een VWO-klas in Noord-Brabant uit mijn boek voorlezen. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om te vragen wie er romans las – als het niet verplicht was? Twee handen omhoog. Wie gamede er? Alle jongens. Netflix? Bijna iedereen. Snapchat? Iedereen. Porno? Niemand – dus deze steekproef was niet 100 procent betrouwbaar. De leerlingen vonden lezen „saai”, „moeilijk” en „schools”.

Alex Boogers betoogde in zijn pamflet De Lezer Is Niet Dood (2015) dat de populariteit van games, Snapchat en Netflix juist bewijst dat de behoefte aan verhalen nog altijd enorm is. Daar ben ik het mee eens, maar romans kunnen zelfs nog meer: ze laten je in het hoofd van een personage kruipen en kunnen je zo unieke details tonen. Ik miste Oblomow nadat ik de gelijknamige roman van Gontsjarov uit had, en dat heb ik toch minder met Jack Shepherd uit Lost.

Waarom worden jongeren dan niet zoals mijn redacteur „gegrepen en weggemaaid door de literatuur”, zoals ze wel verleid worden door alcohol en seks? Dat heeft te maken met twee dingen: de hautaine uitstraling en de manier waarop het wordt aangereikt. Tijdens Boogers’ eigen jeugd in Rotterdam had hij het gevoel dat hij niet goed genoeg was voor boeken, en zijn afstandelijke leraren hadden het alleen over De Grote Drie.

Mislukte schrijvers en hun kutromans

Het doet me denken aan die keer dat ik Gummbah (Gertjan van Leeuwen) in Tilburg interviewde. Ik vroeg hem naar zijn voortdurende spot met intellectuelen en de literaire wereld, in zijn cartoons over mislukte schrijvers en hun ‘kutromans’. Zijn antwoord verraste me: „Ik las als tiener altijd simpele, bereikbare boeken. Daar was ik heel bescheiden in. Op een keer pakte ik toch een boek van Céline en toen ik daarin bezig was, dacht ik: raar dat ik dit kan. Dan ben je verloren en ga je de hele wereldliteratuur af, je leest alles. Langzaam zakt die bewondering dan weer, je merkt dat er veel aanstellers bij zitten. En daar maak ik graag grappen over.” Later ging hij tekeer tegen Harry Mulisch en Amsterdam: „Zodra je met zelfbevestigende eetclubjes begint, ben je verloren.”

Ook schrijver Henk van Straten vertelde onlangs in het interviewprogramma De Nachtzoen: „Als tiener had ik geen talent, school ging niet goed… Ik begon pas op mijn eenentwintigste literatuur te lezen. Toen ik dat ontdekte, was het bijna een fysieke reactie. Ik voelde: dit wil ik ook doen.”

Het is een verhaal dat ik ook van andere schrijversvrienden ken: ik dacht altijd dat ik te dom was voor de literatuur. Het doet me oprecht pijn om te horen dat mensen die uiteindelijk door romans gegrepen werden, die zelfs hun eigen boeken zijn gaan schrijven, zich lange tijd niet welkom voelden. Hoeveel mensen zijn er wel niet, die deze stap nooit hebben gezet? Hoeveel talentvolle tieners voelen zich nu geïntimideerd door de ‘moeilijke’ reputatie van literatuur (om over niet-witte Nederlanders nog maar te zwijgen)?

Hij flirtte, hij verleidde

Natuurlijk is het niet echt een gesloten kring – wie genoeg talent heeft, kan een boekcontract krijgen. Maar tegelijk heeft de literaire wereld nog altijd iets aristocratisch: de Amsterdamse grachtenpanden, het bal, de boekenclubs. Liefde voor literatuur wordt ook vaak via de bloedlijn doorgegeven.

Daarnaast is er de presentatie van boeken. Natuurlijk zijn romans moeilijker dan series, ze kosten tijd en concentratie, schaarse middelen in het smartphone-tijdperk. Maar ze zijn niet saai. Ik voelde me nooit te dom voor boeken, maar ik was ook geïntimideerd door de dikte van De Gebroeders Karamazov van Dostojevski, een roman uit 1880 die ik jarenlang in de kast liet staan. Maar toen ik er toch in begon, werd ik tot mijn grote verrassing direct gegrepen, en kon ik me anno 2016 nog steeds volledig inleven in het taalgebruik, de emoties en de personages.

„Wat ik zo goed aan hem vind, is dat hij literatuur niet serieus neemt”, zei Gary Shteyngart. De afgelopen jaren werkte ik aan een documentaire over de Israëlische schrijver Etgar Keret, en ik begreep goed wat zijn Amerikaanse collega bedoelde. We volgden Keret tijdens zijn boektour. Hij las nooit voor, hield geen lezing. Het enige wat hij tijdens de vele literaire avonden deed, was verhalen vertellen. De meest fantastische anekdotes vlogen ons als crew om de oren, en zelfs na een week wist hij ons nog te verrassen. Hij flirtte, hij verleidde.

Verveelde tieners, sceptische intellectuelen, ironische hipsters: stuk voor stuk zag ik ze opleven zodra Keret begon te praten. Hij was benaderbaar en toch bewonderenswaardig. Door literatuur niet te ernstig te behandelen, nam hij het juist zeer serieus.

Een wereld buiten het saaie dorp

Toen ik op de middelbare school zat, was lezen ook niet cool. Maar voor mij was het altijd een uitweg geweest: de verhalen toonden me een wereld buiten het saaie dorp waar ik opgroeide, zoals ik zelf ook graag verhalen vertelde om me een houding te geven. Ik was een echte junkie, ook omdat het min of meer verboden was. Ik deed aan ‘stiekem lezen’: als ik naar bed moest, knipte ik stiekem een lampje aan. Maar mijn vader keek tijdens zijn nachtelijke ronde onder mijn deur door, waardoor ik de lamp steeds meer moest dempen. Tot ik een keer midden in een zin opschrok door de geur van brandend plastic: mijn wekkerradio was half gesmolten.

Je zou dus denken dat ik op de middelbare school opleefde tijdens het literatuuronderwijs. Niets is minder waar. De leeslijsten, de nadruk op De Grote Drie, de plichtmatigheid waarmee leraren zelf ook voor de klas stonden: dit was niet verleidelijk. Dan liever blowen en spijbelen, gamen of porno kijken. Maar gek genoeg zette ik ook in deze situatie mijn hobby van stiekem lezen voort. Bij Latijn stonden de schoolbanken dicht op elkaar in een soort panopticon om het bureau van een strenge, ervaren docent opgesteld. Elke les moesten we omstebeurt een zin van de Cicero-vertaling voorlezen – als je je huiswerk niet had gedaan, stond je doodsangsten uit. Maar ze koos willekeurig, op zicht. Ik nam achterin plaats, en liet me na het afnemen van de absentielijst traag naar beneden glijden, waar ik dan de rest van het blokuur op de stoffige grond een boek zat te lezen.

Zo was literatuur best cool. Bij Frans las ik stiekem een Duitse vertaling, bij Nederlands las ik een Engels boek – een nerdy soort opstandigheid. Later kwam ik in de klas bij een leraar Duits, die zo bevlogen over poëzie kon vertellen (overduidelijk een junkie), dat ik geen uitweg nodig had.

Maak van literatuur zelf een verboden vrucht

Dit probleem past in de bredere discussie over ‘de elite’ in onze samenleving. Daar heb ik altijd een dubbel gevoel bij. Aan de ene kant vind ik dat er geen gesloten kringen moeten bestaan, of zelfs maar dat die indruk wordt gegeven. Alle kloven moeten worden gedicht. Aan de andere kant betekent dat niet dat we een knieval moeten maken en het verheffingsideaal moeten opgeven. Kort gezegd: ik blijf een dorpeling, maar mijn hart gaat sneller kloppen van een mahoniehouten bibliotheek.

Laten we dus zorgen dat literatuur zelf een verboden vrucht wordt, in plaats van een saaie, onbereikbare delicatesse, zodat we een nieuwe generatie junkies kunnen verleiden. Laten we boeken verkopen op de wc van een zweterige club. Verstop je Dostojewski-pocket onder je bed, voordat je ouders het zien.