Opinie

    • Japke-d. Bouma

Ik vind het wél erg, al dat Engels op kantoor

Er zijn heel veel kantoorclichés. Worden we daar nou beter van, vraagt zich wekelijks af.

Nou had ik u eigenlijk beloofd deze week een column te schrijven over Nederlandse vaagtaal op kantoor en waarom we bijvoorbeeld een vergadering „inschieten”, in plaats van deze af te spreken. Maar ik was vorige week zóveel vergeten toen ik schreef over Engels jargon op ons werk, dat dat eerst nog even moet.

Het begon met een lezer die me mailde dat besluiten op zijn werk worden genomen „in de steering committee”, dat de „call center agents worden beoordeeld op hun average handling time en net promotor score” en dat de „customer bediend wil worden in een omni channel environment met op zijn minst een triple play aanbod inclusief on demand content”. En dat was nog maar de eerste reactie. Er volgde een stortvloed.

Dat ik ook „de learnings” nog even moest noemen, dat is als je iets fout hebt gedaan; en de „kick-forwards” – dat zijn vergaderingen, ik denk op het sportveld. Of ik „een ask neerleggen” al kende? Dat is een vraag stellen. En de ‘werkplek met een deur’ heet tegenwoordig „closed longstay” – tbs op je werk, zeg maar.

Maar ook „alignen” moest er nog bij vond een aantal twitteraars, voor ‘afstemmen’. En „workflow” voor procedure, „dry run” voor een test, ik denk eentje waarbij veel alcohol gedronken moet worden; „workload” als je te weinig gedaan hebt maar dat niet gewoon durft te zeggen en „tribelead”, „squadlead” en „chapterlead” voor baas, vooral als deze graag in het leer gekleed op zijn of haar motor naar het werk forenst.

Het risico van al die Engelse woorden is dat je maar zo de verkeerde indruk kan krijgen. Zo dacht ik altijd dat „onboarden” iets met een cocktail op de Love Boat was, maar dat blijkt ‘inwerken’ te zijn; is „save the date” niet die hit van Roberto Jacketti maar „kalk in je agenda” en is „chasen” niet iemand achterna zitten maar ‘navragen’ als in: „chase jij Japke-d. even hoeveel Engelse woorden we mogen gebruiken per zin?” En dan was er nog iemand wier nieuwe baas met haar een „speeddate” wilde. Dat is een kennismakingsgesprek – hoopte ze. Ik heb niks meer van haar gehoord.

Ik had hier ook nog de „operational excellence” willen noemen – dat is, denk ik, dat je een medaille krijgt op je werk. Of de „customer intimacy” – iets met intieme spray of crème voor je klanten. Of de „take home messages” op congressen die je in een plastic bakje kan meenemen – maar het pást gewoon niet meer. Het is te veel.

Een aantal lezers vond het prima, al dat quasi-Engels op kantoor – een verrijking van onze taal. En het verwijst naar de „managementliteratuur” die ook in het Engels is, zo schreven ze. Maar ik vind het wél erg. Want ik vind het geen verrijking, maar een verdringing van de taal. En ik citeer liever uit échte literatuur dan uit vage studies die „bewijzen” dat „scrummen”, „agile werken” en andere nieuwlichterij betere resultaten geeft dan gewoon een kletspraatje op je werk. Maar ik vind het vooral opvallend dat in een tijd waarin iedereen de mond vol heeft van de „Nederlandse identiteit” die zo onder druk zou staan, iedereen wel de hele dag op kantoor Engels loopt te tetteren. Of geldt die identiteit alleen voor ons land en niet voor de hardwerkende Nederlander?

Meer #kantoorclichés op Twitter via @Japked
    • Japke-d. Bouma