Opinie

    • Ellen Deckwitz

De estafette

Vannacht bleek dat mijn zus niets te eten in huis had (op de manier waarop je ook weleens niets hebt om aan te trekken) waardoor we uitgehongerd de straat op gingen. Het voordeel van je bovenaan de voedselpiramide te bevinden is dat je alles kan eten wat je wilt, van amoebe tot orka, en zo belandden we hongeriger dan Fajah Lourens in de lokale snackbar.

„Een patat oorlog en een chocolademilkshake”, zei mijn zus met haar laatste krachten. Ongemerkt hadden we echter snackfout #1 gemaakt: bestellen bij de chagrijnige bediende. De jongen, een jaar of achttien en nog maagd, was een kop kleiner dan wij, mager en al kalend. Ik vreesde dat zijn enige sociale contact de colonne mee-eters op zijn neus was. Hij griste het geld uit mijn zus haar handen, flikkerde de patat in het bakje alsof hij een grafkuil dichtte, ramde het rietje door het dekseltje van de milkshake en douwde de bestelling zonder iets te zeggen in onze armen.

Ik dook meteen weg. Mijn zus bezit een opvliegendheid waarnaast Louis van Gaal het geduld van een Gandhi heeft. Maar in plaats van zijn tanden eruit te beuken met haar voorhoofd zei ze slechts „Hey.” De jongen staarde haar aan.

„Het is oké”, zei ze. Zijn gezicht ontspande. Er brak een kleine glimlach door. Hij zei ons zelfs vriendelijk gedag.

Toen we naar huis liepen en mijn zus’ bloedsuikerspiegel eindelijk weer humane waarden aannam, durfde ik te vragen waarom ze niet ontplofte.

„Ik moest aan Shakespeare denken”, zei ze, terwijl ze nog een vuistvol friet in haar mond propte. Ja natuurlijk, dacht ik, we hadden vorige week Romeo and Juliet gezien, waarin woede aan generaties wordt doorgegeven alsof het genen zijn. Terwijl mijn zus zichzelf een voedselcoma at, dacht ik daarover na. We bevinden ons in een dagelijkse keten van boosheid: een te korte nachtrust reageren we af op de conducteur, die de daardoor veroorzaakte mood swing weer doorgeeft aan een jongen die zijn voeten op de bank heeft, die vervolgens tegen zijn moeder zegt dat ze dik is, die ten slotte bij de friettent onze arme achttienjarige bediende verrot scheldt. Een estafette van ergernis.

„Nee joh”, zei mijn zus, toen ik haar deze gedachtengang meedeelde, „ik moest denken aan Shakespeares The Taming of the Shrew. ‘To kill with kindness!’ Aardigheid komt veel harder aan bij dit soort lullo’s. Voelt hij zich lekker schuldig.”

Het was een redenatie van het soort dat mijn zus wel vaker heeft. Ik vrees soms dat haar wereldbeeld een Eschertekening is, waarbij mensen heel langzaam in beesten overgaan.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz