De doodskist van zijn beste kant

Uitvaart Hoe de grafkist een commercieel product werd, compleet met catalogi, is te zien op een tentoonstelling in uitvaartmuseum Tot Zover.

De doodskistenkalender van de Italiaanse kistfabriek Cofani Funebri. Foto’s Uitvaartmuseum Tot Zover

Hoe verkoop je het onverkoopbare, een doodskist? Aan die vraag heeft het Amsterdamse Uitvaartmuseum Tot Zover nu een bijzondere tentoonstelling gewijd, Especially for you, de doodskist als lifestyle-artikel. Samensteller is Babs Bakels, kunsthistorica en conservator. „Trek iets pikants aan”, zei ze toen we een afspraak maakten voor dit verhaal. „Daar kun je dan straks mee op de foto.”

Over die foto straks meer.

Eerst even terug naar de jaren vijftig, toen het verkopen van een doodskist voor kistfabrikanten nog relatief eenvoudig was. Zo’n kist was goedkoop (iepenhout), redelijk geprijsd (grenenhout) of best duur (massief eiken, mahonie), foto’s ervan stonden in een bescheiden catalogus: kisten in mobiele rouwkamers, over het podium was een donker baarkleed gedrapeerd. Precies zo zou die kist straks worden opgezet in de huiskamer, met de erbij gehuurde achtergrond van dichtgetrokken, zwarte gordijnen.

Maar ergens halverwege de jaren zestig kwam een kentering: de dood verdween uit het zicht. Letterlijk, door de komst van uitvaartcentra en bejaardenhuizen. En figuurlijk, want je uitvaart en je kist werden gaandeweg de uitdrukking van een individueel levensgevoel: ze lieten zien wie je was geweest.

Dat veranderde alles. De doodskist werd een commercieel product. En kistfabrikanten begonnen die producten van hun beste kant te fotograferen, als meubels in een wooncatalogus.

Een beitel en wat houtkrullen

Alleen, hoe doe je dat, een doodskist er even aantrekkelijk uit laten zien als pakweg een bankstel of een boekenkast?

Daarover gaat de eerste zaal van de tentoonstelling, waar in chronologische volgorde uitvergrote productfoto’s uit kistcatalogi hangen. Sommige komen uit de collectie van de conservator zelf, die ze verzamelt sinds ze als student kunstgeschiedenis werkte bij een uitvaartonderneming. Babs Bakels (45): „Het ontroerde me, kistenmakers die een fotostudiootje opzetten om hun product aan de man te brengen. Dat vind ik op een bepaalde manier aandoenlijk.”

Je ziet het begin, de jaren zestig en zeventig: een doodskist met als achtergrond een gedrapeerd stuk papier, net als bij de professionele fotograaf. Alleen zitten hier de kreukels er nog in. Foto’s die zijn gemaakt in het kantoor van de fabriek: voor de kist zijn een beitel en wat houtkrullen gelegd, erachter heeft iemand een plant neergezet, aan de muur is een droogboeket gehangen. Babs Bakels:

„Het moest er een beetje leuk uitzien, vooral niet te veel dood uitstralen. ”

Langzaam komt daarna een zekere professionalisering op gang, of in ieder geval meer oog voor detail: een tropische plant bij een kist van tropisch hardhout, attributen die te maken hebben met het te verkopen product, kistfoto’s die zijn genomen van de voordeligste kant. Van boven bijvoorbeeld, zodat je ziet dat de binnenbekleding bestaat uit blauwe spijkerstof.

Ook komen er onverwachte, maar passende locaties: het strand, met uitzicht over zee. Wat nog makkelijker wordt wanneer in de jaren negentig het fotoshoppen begint: kisten gaan zweven boven dorpen en bossen.

De meest recente foto’s zijn volledig computergetekend, met virtuele interieurs zoals de kistenmaker ze zich voorstelt voor zijn verschillende doelgroepen. Het logo van de fabriek staat geborduurd in een kussentje op de bank of in een schilderijtje aan de muur. „Dit ontroert mij bijzonder. Kistfabrikanten kijken heel anders naar hun product dan jij of ik, hè. Ze zijn er hartstikke trots op. Ik vind het ook dapper dat ze me al dit materiaal hebben gegeven. Welke branche geeft zich zo bloot?”

Je werk afreageren

Wat ons brengt bij die andere foto’s.

Ze hangen in de gang en het is even alsof je een garage binnenstapt: een mannenwereld met aan de muren affichegrote foto’s van schaars geklede vrouwen in erotiserende poses. Pirelli-kalenders, maar dan voor doodskisten. De Italiaanse kistfabriek Cofani Funebri bracht de eerste uit in 2003. Directeur en hobby-fotograaf Maurizio Matteucci maakte ze zelf, hij is naar eigen zeggen (afgelopen donderdag was hij bij de opening van de tentoonstelling) „liefhebber van kisten, mooie vrouwen en fotografie”. De foto’s zijn gemaakt in de fabriek, zijn eigen vrouw en werkneemsters stonden model.

Babs Bakels’ vader werkte in een garage, ze kent het woord ‘pornolat’. Daaraan hang je zulke foto’s, zo zijn ze nu ook opgehangen in het museum. Maar toch niet in een uitvaartcentrum? „Nee, natuurlijk niet. Maar misschien wel in een andere fabriek. Of bij een toeleverancier. Je moet ook begrijpen dat de uitvaartbranche altijd een mannenwereld is geweest. En voor uitvaartondernemers zijn die kisten lang zo beangstigend niet als voor ons: ze werken er gewoon mee.”

En er is nog iets:

„In de uitvaartbranche is ook veel lol. Je moet je werk afreageren, anders is het veel te zwaar. Met deze foto’s lach je de dood nu eens in zijn gezicht uit. Ook daarom laten we ze zien, we hebben al zo veel zware thema’s gehad hier.”

In Italië was niet iedereen amused over de Cofani Funebri-kalenders, ze werden vier jaar geleden verboden. Twee taboes overtreden, dat was te veel van het goede.

Maar dat was een gerechtelijke uitspraak. Hoe zou bij jezelf een dergelijke overtreding aanvoelen?

Daarover gaat de derde, laatste zaal: een doodskist op een podium, ernaast wat attributen die je net hebt gezien op de foto’s: vleugels, maskers, zweepjes. Die mag je gebruiken, waarna je kunt plaatsnemen op de kist en een selfie nemen. Of je op de foto laten zetten.

Tot nu toe heeft nog geen enkele museumbezoeker dat in lingerie gedaan.

    • Gretha Pama