Opinie

Eerst ‘voorlopig’ in de cel en dan vrijspraak, dat is een misstand

Sluiten we in dit land verdachten lichtvaardig preventief op? In de rechtspraktijk is dit al jaren meer dan een vermoeden, gebaseerd op cijfers, incidenten en stijgende aantallen betaalde vergoedingen. In Nederland zit bijna 40% van alle verdachten steevast in voorlopige hechtenis, waarmee ons land nummer 6 is in een lijst van 57 onderzochte landen. Kennelijk weegt het mensenrecht om het strafproces in vrijheid af te mogen wachten hier niet erg zwaar. Wellicht speelt het cellenoverschot een rol. Of het ‘lik-op-stuk’ klimaat, waar weinig gevoel is voor het onderscheid tussen verdachte en dader. Alternatieven als borgsom, enkelband of verplichte behandeling zijn hier ook nooit populair geweest.

Uit een onderzoek van het College voor de Rechten van de Mens deze week naar driehonderd strafzaken afgehandeld door zes gerechten, doemt een weinig florissant beeld op. Waar de wet voor iedere voorlopige hechtenis een toetsingskader voorschrijft en een duidelijke motiveringsplicht, blijkt daar in de praktijk maar weinig van terecht te komen. De rechterlijke praktijk is ‘structureel onvoldoende’. Er worden standaardmotiveringen gebruikt, formulieren ‘aangevinkt’ – uitgebreide motiveringen alleen bij ‘hoge uitzondering’.

Lees ook: Maanden zat hij vast, toen gingen ze goed kijken

Waarna de centrale vraag natuurlijk luidt: is dat erg? Zouden deze verdachten vaker in vrijheid hun proces hebben mogen afwachten, als de rechter er blijk van gaf strenger te toetsen? In 15 van de onderzochte zaken was dat zeker het geval. Daar kreeg de verdachte (achteraf) helemaal geen celstraf opgelegd – en in zeven zaken zelfs vrijspraak. In die zeven zaken was voorlopige hechtenis dus zeker een misslag. Dat is dus een misstand, die bovendien niet van vandaag of gisteren is. In 2015 keerde de overheid in totaal 28 miljoen euro uit aan onterecht in hechtenis genomen verdachten, een verviervoudiging ten opzichte van 2004. Dat ging in 2015 om ruim 17000 personen, niet alleen ten onrechte opgesloten in politiecellen, maar ook in het Huis van Bewaring (voorlopige hechtenis). Die 28 miljoen is dus verspilling, waar ook de strafrechtspraak aan bijdraagt.

Niet iedereen van die 17000 zal onschuldig zijn geweest, maar niemand van hen had opgesloten hoeven worden, zeker niet voorlopig. Voorlopige hechtenis is een ‘diep gewortelde gewoonte, bijna een vanzelfsprekendheid’, in een strafrechtelijk systeem dat ‘een steeds sterker appel doet op risicomijding en efficiency’ en ‘geen enkele prikkel’ kent om mensen niet alvast op te sluiten, schreef raadsheer Ybo Buruma in 2013 al in het Nederlands Juristenblad. Het is sindsdien niet beter geworden.