Trippen in het museum

Op Art

Dansende schilderijen en wandelende ogen: de tentoonstelling Eye Attack in het Stedelijk Museum Schiedam misleidt met optische en kinetische kunst.

Foto Kim van Dee

De bewakers in het Museum of Modern Art in New York dragen zonnebrillen om hun ogen tegen de kunstwerken te beschermen. Het is 1965. Ze staan op Responsive Eye, een tentoonstelling die de doorbraak van optische en kinetische kunst zou betekenen, in de hoogtijdagen van hallucinogene drugs. De beschonken actrices op de opening zijn niet onverdeeld enthousiast over de bewegende werken. Waar de een het allemaal ‘marvelous’ vindt, wil de ander het liefst een toilet opzoeken om haar maag te legen.

De jaren zestig herleven in de documentaire die nu te zien is op Eye Attack in het Stedelijk Museum Schiedam. De tentoonstelling toont de werken van verschillende kunstenaars die destijds ook in New York exposeerden, onder wie Victor Vasarely en Bridget Riley, de belangrijkste vertegenwoordigers van de stroming. Eye Attack is een samenwerking met het Lousiana Museum in Denemarken, waar de tentoonstelling 229.000 mensen trok.

Verguisd vanwege succes

Albumhoes van Space Oddity van David Bowie. Victor Vasarely

Volgens hoofdconservator Colin Huizing is op-art, kort voor optical art, voor het eerst in vijftig jaar op grote schaal in Nederland te zien. De kunststroming werd verguisd vanwege haar commerciële succes, zegt hij. „Al voor de tentoonstelling in het MoMA van start ging, werd op-art opgepikt door vormgevers en designers. Riley schrok zich rot toen ze op de opening motieven uit haar werk op de jurken van de vrouwelijke bezoekers zag.” Vasarely leek de commercie juist wel te omarmen. Zijn stippenpatronen sieren de hoes van David Bowies Space Oddity.

Een verdieping hoger hangen zwart-witte en bewegende werken van Italianen, Fransen en Duitsers. „Zij maakten optische en kinetische kunst dat het gedrag van mensen zou veranderen; installaties bijvoorbeeld, die bezoekers dwingen ergens doorheen te lopen of zich in verschillende posities tegenover het werk te bewegen.”

Ook nu nog slagen de kunstenaars in hun opzet: bezoekers staan als wuivende rietstengels voor schilderijen om bewegende kleurenpatronen te zien, lopen van voor naar achter om zichzelf in omgekeerde spiegels te bekijken en drukken op knoppen zodat Austin Powers-achtige ‘tijdmachines’ gaan draaien. Huizing: „We zien mensen met de werken experimenteren. Al wordt het labyrint regelmatig vermeden.” Het zal iets te maken hebben met het bordje dat waarschuwt voor hoofdpijn, duizeligheid en misselijkheid.

Links: Richard Joseph Anuszkiewicz, Sunglow, 1968. Midden: Jean-Pierre Yvaral, Progression Polychrome A.70, 1970. Rechts: Victor Vasarely, Vega-Pâl, 1969.
Foto’s Pictoright Amsterdam, Rechts: Courtesy Pierre Vasarely en De Primi Fine Art

Je krijgt last van bewegingsziekte wanneer er verschil is tussen wat je voelt en wat je ziet, legt Jan Theeuwes uit. De hoogleraar cognitieve psychologie aan de Vrije Universiteit is door het museum gevraagd om een bijdrage aan de tentoonstelling te leveren. „Sommigen worden ziek als ze binnenskamers op een boot zitten, maar hebben geen last van dat effect als ze op het dek staan en het schip zien bewegen. Op deze tentoonstelling werkt het andersom. Je staat stil terwijl je omgeving suggereert dat iets beweegt. Die discrepantie zorgt voor een duizelig of misselijk gevoel.”

In een filmpje naast het labyrint duidt Theeuwes de waarneming van de bezoekers. Waarom de golvende lijnen in het werk van Riley lijken te dansen? Theeuwes: „Onze ogen bewegen onophoudelijk. Normaal gesproken ervaren we het beeld toch als stabiel. Maar omdat dit schilderij geen aanknopingspunten heeft, zoals een rand aan de buitenkant, gaan onze ogen aan de wandel.”

Over het kleurrijke schilderij van Vasarely, waar een levensgrote voetbal met stippen uit lijkt te puilen, zegt Theeuwes: „Hij tekent ovalen, en wij zien cirkels die naar achter bewegen. Bovendien zijn de cirkels aan de buitenkant van het schilderij kleiner en fletser, alsof ze verder weg zijn.” Wie goed kijkt, ziet de tekenlijnen zitten. Huizing: „De kunstenaars gebruikten geen computers. Verschuivingen van de lijnen en de kleurnuances zijn bijna mathematisch uitgedacht en lijken op ruitjespapier getekend.”

De tentoonstelling is op het juiste moment naar Nederland gehaald, denkt Huizing. „De beeldtaal van de op-artbeweging wordt weer geaccepteerd en zelfs aantrekkelijk gevonden. Je ziet het in de etalages, maar ook bij Nederlandse kunstenaars als Roland Schimmel en Frank Ammerlaan.” Al heeft Theeuwes begrepen dat sommige kunstenaars niet gelukkig zijn met de wetenschappelijke uitleg: „Optische kunst was in de jaren vijftig tot zeventig toch een beetje magie.”

Links: Spiegel Publishinghouse, Swimming Pool, Hamburg, 1969. Rechts: een ‘Dazzle Ship’ uit WOI. Het patroon zou de vijand moeten desoriënteren.
Links: Copyright Verner Panton Design