Na miskraam volgt te vaak riskante ingreep

Schoonmaken baarmoeder

Nederland kent een wildgroei aan medische behandelingen na een miskraam. Afwachten is het best, blijkt uit onderzoek.

Vrouwen en artsen in Nederland kiezen bij een miskraam veel te vaak voor medisch ingrijpen. Het chirurgisch schoonmaken van de baarmoeder (curettage) brengt risico’s met zich mee. Daarom is het beter eerst af te wachten of het lichaam het weefsel spontaan afstoot. Dat concluderen Marike Lemmers en Marianne Verschoor, die deze dinsdag aan het AMC in Amsterdam promoveren op het onderzoek. Het is hoog tijd dat er een richtlijn komt, stellen ze.

Een miskraam is niet zeldzaam: bij 10 tot 20 procent van de zwangerschappen blijkt de vrucht in de eerste drie maanden niet levensvatbaar. Naar schatting gaat het in Nederland om 20.000 miskramen per jaar.

Vrouwen die bij een controle vroeg in de zwangerschap horen dat zij een miskraam zullen krijgen, willen er vaak zo snel mogelijk vanaf. Onder hen, en onder artsen, leeft de overtuiging dat ze zo het snelst opnieuw zwanger kunnen raken. Het tegendeel is waar, blijkt uit het onderzoek van Lemmers en Verschoor.

Curettage leidt bij een op de vijf behandelde vrouwen tot verklevingen van het baarmoederslijmvlies, wat de vruchtbaarheid juist kan verminderen. Ook lopen zij risico op infectie of bloedverlies door de ingreep, en blijkt het risico op vroeggeboorte groter.

Lemmers onderzocht vrouwen bij wie behandeling met medicijnen in eerste instantie niet aansloeg. Ze vergeleek de vrouwen die daarna kozen voor curettage met vrouwen die afwachtten. Er was geen verschil in hoe snel zij weer zwanger werden, concludeerde ze. Ook lichamelijk en mentaal waren er geen wezenlijke verschillen. „Gezien de risico’s van curettage is het dus wel de moeite waard om af te wachten”, aldus Lemmers.

Er blijkt in Nederland een wildgroei aan adviezen en behandelingen te zijn voor vrouwen met een miskraam, ontdekte Verschoor. Zo schrijven ziekenhuizen het vruchtafdrijvende middel misoprostol op wel 23 verschillende manieren voor, ontdekte ze. Uit literatuuronderzoek concludeerde Verschoor dat een eenmalige, vaginale dosis van 800 microgram het effectiefst is, iets wat in het Verenigd Koninkrijk al in een richtlijn staat.

Jan van Lith, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie, vindt de uitkomsten belangrijk. „Wij zien absoluut de noodzaak van een Nederlandse richtlijn”, zegt de hoogleraar in Leiden. De beroepsgroep gaat de Britse richtlijn naar de Nederlandse situatie vertalen. „Het Amsterdamse onderzoek krijgt daarin zeker een plek”, zegt Van Lith. „Het ontwikkelen van een richtlijn kost minstens een jaar, maar we zullen ons inzetten om de bevindingen nu al te vertalen naar de praktijk.”

Geduld, niet ingrijpen pagina 16
    • Nienke Beintema