Column

Ik hou tóch van meeuwen

Meeuwen waren niet mijn favoriete vogels, ik had enkele vervelende herinneringen aan ze. Als jongen dwaalde ik eens argeloos door de duinen toen tal van meeuwen krijsend op mij af doken. Kennelijk was ik hun nesten te dicht genaderd. Ze scheerden laag over mijn hoofd als bommenwerpers die hun doel gevonden hadden. Ik maakte me haastig uit de voeten.

Ik had er nooit rekening mee gehouden dat je bang kon worden van vogels. De speelfilm The Birds van Alfred Hitchcock had ik nog niet gezien. Het was voor mij een aha-erlebnis toen die film in 1963 werd uitgebracht.

Het duurde daarna tientallen jaren voordat de meeuwen als ongenode gasten terugkeerden in mijn leven. Ik logeerde met mijn vrouw in een hotel aan de kust, waar we een kamer op de hoogste verdieping hadden. Daar cirkelden de meeuwen voortdurend laag boven het dak.

Deze meeuwen krijsten niet meer, ze schreeuwden hysterisch, althans, zo beleefden wij het in onze groeiende ergernis. Als ze nou nog rustig naar bed waren gegaan, hadden we ermee kunnen leven, maar meeuwen hebben een rusteloos nachtleven met veel zang en dans. We deden geen oog meer dicht en vroegen de volgende dag om een andere kamer.

Het zag ernaar uit dat het nooit meer goed zou komen tussen de meeuw en mij, maar daar kwam de afgelopen dagen door een samenloop van omstandigheden verandering in. Ik kreeg plotseling zicht op de meeuw achter de meeuw dankzij twee zeer verschillende kunstenaars.

Voor Het Parool fotografeerde Gerard Schoone, een 64-jarige werkloze biomedische laborant, de meeuwen van Amsterdam, vogels die je dagelijks omringen en waar je misschien juist daarom te weinig op let. Schoone toont ons de schoonheid en de avontuurlijkheid van de meeuw tegen de achtergrond van de Amsterdamse grachten. Hangend in de lucht met breed gespreide vleugels, een brok voedsel in de bek en onophoudelijk druk in gesprek met soortgenoten. De luchtacrobaten van Amsterdam. Het is wel een voordeel dat je hun gesprekken op de foto’s niet hoort.

„Hun gedrag is bijzonder”, zegt Schoone. „Dat het zulke acrobaten zijn, dat ze zo mooi zijn als je het beeld bevriest, dat had ik niet verwacht.”

Ondertussen las ik het romandebuut Birk van Jaap Robben, al in 2014 verschenen, maar dankzij een tv-interview door Adriaan van Dis met de schrijver nu aan een tweede leven begonnen. Terecht, want het is een boeiend boek, zuiver van toon en helder van stijl. Op een verlaten eiland groeit een zoon op met zijn moeder, nadat zijn vader is verdronken. De moeder dreigt haar kind te verstikken met haar liefde, ze wil dat hij haar overleden man wordt. Wat broeit daar? Moederliefde, incest?

Een bijzondere bijrol is bestemd voor een jonge meeuw, die door de zoon gekoesterd wordt. De moedermeeuw is een dreigend loeder, maar het meeuwtje wordt een mensje in de handen van de zoon. „Jij wordt helemaal van mij”, neemt de zoon zich voor. En verderop: „Uiteindelijk begint hij zich te nestelen op mijn schoot, zakt door zijn pootjes en draait zijn kop om zijn snaveltje in het dons op zijn rug te verbergen. […] Ik zou hem willen aaien, maar houd me net op tijd in. Zonder te bewegen kijk ik toe hoe hij slaapt.”

Dankzij Schoone en Robben zal ik niet meer zo liefdeloos naar meeuwen kijken.