Echt of animatie doet er niet toe, de toekomst is hybride

Animatie en live action

Klassieke animatiefilms worden, in navolging van Disney, in live action omgezet. Maar bestaat dat onderscheid nog wel?

Animatieklassiekers omzetten in ‘live action’: Disney heeft kennelijk een goudader aangeboord. Na de live-actionversie van The Jungle Book is ook Beauty and the Beast een wereldhit, aan het omzetten van Mulan, Pinokkio en Aladdin wordt gewerkt. Zoveel winst blijkt aanstekelijk: zo gaat deze week ook een ‘echte’ versie van de Japanse anime Ghost in the Shell in première.

Lees de recensie van Ghost in the Shell: Sciencefiction vol holy shit-momenten

Maar wat is echt? Is er nog wel een onderscheid te maken tussen animatie en live action? Veel films zijn een beetje van dit, een beetje van dat: een mengvorm van allerlei vormen en technieken. Toch heet het vreemd genoeg nog altijd live action als een levend acteur zich door een digitale wereld vol geanimeerde beesten beweegt, zoals Mowgli in The Jungle Book.

De vermenging van animatie en speelfilm is niet nieuw: zo danste Gene Kelly in Anchors Aweigh (1945) al met Jerry (van de cartoon Tom & Jerry) en bracht de getekende Jessica Rabbit in Who Framed Roger Rabbit (1988) niet alleen hoofdrolspeler Bob Hoskins het hoofd op hol.

Dat de grenzen vervagen, levert in de filmwereld verwarring op. Zo werd er geklaagd over de Oscar voor het camerawerk van Life of Pi. Het enige echte in die film waren immers de acteurs, de rest – ook de levensechte tijger – kwam uit de computer. De cameraman filmde de acteurs voor een groen scherm waar in post-productie via computers decors, dieren en meteorologische verschijnselen in gezet werden. Valt dat onder camerawerk of is het een visueel effect?

En wat betekent acteren nog? Telt bezieling van een animatiefiguur via de performance capture-techniek als acteren, of als digitaal tot leven gewekte acteurs? De in enen en nullen omgezette acteerprestaties van deze ‘synthespians’ zijn nauwelijks nog van de real deal te onderscheiden. Bovendien kan een acteur jonger of ouder worden gemaakt, zoals het titelpersonage (Brad Pitt) in The Curious Case of Benjamin Button.

Hoewel in animatie in principe alles kan en de verbeelding aan de macht is, blijkt de praktijk meestal anders. Grote animatiestudio’s spelen vanwege hun hoge productiekosten meestal op safe, fotorealistische beelden zijn de norm – Walt Disney was daar tachtig jaar geleden al door geobsedeerd. De virtuele camera imiteert zoveel mogelijk de fysieke beperkingen van de gewone camera, volgt de wetten van de zwaartekracht en het perspectief. Het enige wat animatie in feite onderscheidt van live action zijn de felle, verzadigde kleuren, het clichématige ‘Californische’ kleurenpalet waarvan weinig afgeweken wordt.

Aan de live action-kant worden visuele effecten steeds imposanter en overtuigender. De digitale toolbox kan alles: belichting simuleren, kleuren manipuleren, wereldsteden in as leggen. Toch lijkt een verzadigingspunt bereikt: hoe vaak wil je kijken naar instortende gebouwen, vliegende superhelden en een allesverzengende vlammenzee? Als alles kan, doet niets er meer toe: veel CGI oogt niet spannend meer, maar monotoon, mechanisch en vermoeiend. Veel moderne SF-actiefilms verlaat je duizelend van de visuele overload.

Er zijn uitzonderingen op die murw makende monotonie. Een aantal films met een ontkleurd palet waarin af en toe een toefje kleur oplicht roept het aloude gevoel van opwinding en verwondering op, denk aan de stripverfilming Sin City en de trendsettende peplumfilm 300. Bij dat soort films zijn grofweg gezegd de acteurs echt en komen de hevig gestileerde decors uit de computer. Bij motion capturefilms, zoals de nieuwe Planet of the Apes-cyclus, is het precies andersom: decors zijn echt, de acteurs nep.

De vraag of je de filmmaker dan als regisseur of designer moet betitelen is even irrelevant als de kritiek dat de grens tussen live action en animatie wel heel erg poreus is geworden. De hybride film past daarmee juist in een veel bredere trend. Denken in strak omlijnde categorieën en binaire tegenstellingen als man-vrouw of homo-hetero is in de 21ste eeuw immers vervangen door de idee dat alles fluïde is: seksualiteit, gender, identiteit.

Dat gaat nu dus ook op voor films. Hoewel we niet meer weten wat nep of echt is, blijft Aristoteles’ inzicht overeind dat de mens instinctief plezier beleeft aan het zien van een geïmiteerde wereld. Film is in die zin altijd al animatie geweest, in zijn letterlijke betekenis van ‘tot leven wekken’. Dat film tegenwoordig meer en meer bezield wordt door algoritmes, verandert daar niks aan.

    • André Waardenburg