Weeffout in de wet wordt een strop voor gemeenten

Jeugdzorg

Kinderen die buiten hun eigen gemeente in een jeugdzorginstelling zitten, worden een financiële ramp voor gemeenten. Die krijgen geen passend budget, maar moeten de zorg wel betalen. De schade loopt in de miljoenen.

De residentiële jeugdzorginstelling Aquamarijn ligt nabij het dorp Deelen op de Veluwe, in de gemeente Ede. Foto's Olivier Middendorp

Barneveld, Ede, Ermelo en nog een handvol gemeenten draaien op voor de behandelkosten van kinderen die afkomstig zijn uit heel andere delen van het land. Die kosten lopen in de miljoenen euro’s. De gemeenten kampen daardoor in veel gevallen met tekorten, blijkt uit een rondvraag van NRC. Volgens hen is sprake van een „weeffout” in de Jeugdwet.

De reden dat deze gemeenten betalen voor ‘andermans’ kinderen, is dat er zogeheten residentiële jeugdzorginstellingen binnen hun gemeentegrenzen staan. Daar verblijven jongeren uit heel het land, omdat ze er beter af zijn dan thuis. Ze kampen met ernstige gedragsstoornissen, lopen vast, zijn thuis niet langer veilig. De kosten voor hun verblijf en behandeling in de instelling bedragen 1 tot 1,5 ton per jaar.

Die rekening belandt veelal niet bij de gemeente waar de kinderen vandaan komen, maar bij hun ‘nieuwe’ gemeente. Het opvallende is: die nieuwe gemeenten krijgen daar niet het passende budget voor.

NRC ondervroeg wethouders van negen gemeenten met residentiële jeugdzorginstellingen: Lochem, Zeist, Utrechtse Heuvelrug, Oost Gelre, Leidschendam-Voorburg, Goirle, Barneveld, Ermelo en Ede.

Die gemeenten wringen zich in tal van bochten omdat zij de rekeningen voor de zorg aan kinderen van elders nu eenmaal moeten betalen. Barneveld had vorig jaar een tekort van 1,2 miljoen euro op een jeugdzorgbegroting van 12 miljoen. De wethouder van Ede voorspelt een tekort dit jaar van 1,5 à 2 miljoen euro, en overweegt het gat te dichten met geld dat bedoeld is voor het onderhoud van wegen. Zowel Leidschendam-Voorburg als de gemeente Utrechtse Heuvelrug dekt het jeugdzorgtekort door geld bij te leggen uit het WMO-budget, dat eigenlijk bedoeld is voor hulp aan thuiswonende ouderen en zieken.

Financiële prikkel

De wet moet anders, zeggen de lokale bestuurders. De rekening voor deze kinderen moet niet naar hén worden gestuurd, maar naar de gemeente waar de kinderen vandáán komen – Amsterdam, Sittard, Delfzijl, noem maar op.

„Die gemeenten ervaren nu geen financiële prikkel om de problemen van hun kwetsbaarste kinderen aan te pakken”, zegt de wethouder Jeugdzorg van Ede, Leon Meijer (ChristenUnie). Sterker, ze hebben er financieel voordeel van als de kinderen vertrekken, zegt zijn collega en partijgenoot in Barneveld, Hans van Daalen. „Terwijl het hele idee van de Jeugdwet is dat problemen in de eigen omgeving van het kind, dicht bij huis, worden opgelost.”

Staatssecretaris Martin van Rijn (Volksgezondheid, PvdA) erkent de problemen. Er is sprake van „perverse financiële prikkels”, schreef hij onlangs in een Kamerbrief. Van Rijn laat onderzoeken of de wet aan te passen is, zodat de gemeente waar het kind vandaan komt opdraait voor de verblijfskosten in de residentiële instelling. Zo’n wetswijziging vergt advies van de Raad van State en goedkeuring door beide Kamers, en kost dus tijd. Een woordvoerder van Van Rijn vermoedt dat 1 januari 2018 te vroeg komt voor een eventuele wetswijziging.

Door de hoge rekeningen blijft er nu minder geld over voor lichtere vormen van jeugdzorg

Eigen kinderen

Het ministerie van Volksgezondheid heeft een compensatieregeling in het leven geroepen, een tijdelijke maatregel om gemeenten met residentiële instellingen financieel uit de brand te helpen. Maar de gemeenten benadrukken dat zij lang niet alle kosten terugkrijgen. Sterker, de compensatieregeling vergt allerlei extra administratieve handelingen – denk aan het indienen van rekeningen – die sowieso niet worden vergoed. De compensatie vindt bovendien pas achteraf plaats: gemeenten moeten de kosten dus voorschieten. Doordat ze tevoren niet weten hoeveel geld ze precies terugkrijgen, is het lastig goede contractafspraken te maken met instellingen die de zorg moeten leveren.

Hoe is deze weeffout in de wet ontstaan? Het kabinet kon toch zien aankomen dat gemeenten met residentiële instellingen meer geld nodig hadden?

De wet is op zich duidelijk: gemeenten moeten betalen voor de zorg aan de eigen kinderen. Criterium is de woonplaats van de ouders. Wonen die in Amsterdam, dan krijgt Amsterdam de rekening. Gemeenten ondervinden op die manier een financiële prikkel om zich in te zetten voor het welzijn van de eigen kinderen.

Uithuisplaatsing

Die prikkel voelen gemeenten in principe ook als een kind uit huis wordt geplaatst. Ook dan is de woongemeente van de ouders namelijk de ontvanger van de rekening. Tenminste: zolang de vader en moeder het ouderlijk gezag over het kind behouden. Dat is meestal het geval bij een uithuisplaatsing. Die gaat namelijk doorgaans gepaard met ondertoezichtstelling. De ouders houden dan hun gezag over een kind, al moeten ze een gezinsvoogd als adviseur naast zich dulden. Merkt die voogd dat een kind thuis echt niet meer te handhaven is, dan kan het in een residentiële instelling of in een pleeggezin belanden. Worden de leefomstandigheden thuis beter, dan kan een kind eventueel naar de ouders terugkeren. Al die tijd blijft de woongemeente van de ouders de betaler van de rekeningen.

Maar wat wil het geval: kinderrechters beëindigen de laatste jaren steeds vaker het ouderlijk gezag bij een uithuisplaatsing. De voogdij over het kind wordt volledig weggehaald bij de ouders en voortaan uitgeoefend door de residentiële instelling of het pleeggezin waar het kind belandt. De gedachte hierachter is dat zo’n voogdijmaatregel heilzamer is: het kind kan zich richten op zijn nieuwe leven, in zijn nieuwe woonplaats. Dat is rustiger voor het kind dan een ondertoezichtstelling, waarbij elk jaar opnieuw de discussie oplaait over de vraag of het kind nu terug kan naar de ouders. Het aantal kinderen onder voogdij was eind 2015 ruim negenduizend: bijna twee keer zoveel als tien jaar daarvoor.

Na zo’n voogdijmaatregel gaat de rekening voor de behandeling van het kind niet langer naar de woongemeente van de ouders, maar naar de gemeente waar toevallig het gebouw van de residentiële instelling is gevestigd.

Staatssecretaris Van Rijn erkent de problemen en onderzoekt of de wet aan te passen is

En zo zijn de wethouders van Ede, Ermelo enzovoorts in een penibele situatie beland. Door de hoge rekeningen blijft er bijvoorbeeld minder geld over voor lichtere vormen van jeugdzorg, zegt de Zeister wethouder Johan Varkevisser (D66). „Ruim 40 procent van ons jeugdzorggeld ging in 2015 naar de zware jeugdzorg. Dat is ontzettend veel. We kunnen daardoor minder besteden aan, zeg, maatregelen om te voorkomen dat kinderen zware hulp nodig hebben.”

Een van de hoofddoelen van de overheveling van de jeugdzorg naar gemeenten is vernieuwing van de zorg, zodat die beter aansluit bij de behoeften van het kind. Ironisch genoeg is er in een gemeente als Ede nu juist minder animo om te investeren in vernieuwing. Wethouder Meijer: „Als ik flink geld inleg om de residentiële zorg hier te innoveren en dus aantrekkelijker te maken, schiet ik mezelf in de voet. Want dan sturen jeugdzorginstellingen uit het westen nóg meer kinderen onze kant op, en belanden er nog meer rekeningen op mijn bureau.”

De meeste gemeenten zijn voorstander van aanpassing van de wet. Of ze bepleiten oprichting van een landelijk fonds om hun budget volledig en tijdig op te vullen in plaats van gedeeltelijk en achteraf. Wethouder Van Daalen, van Barneveld: „Er moet op korte termijn iets gebeuren. Anders kunnen we dit financieel niet meer verhapstukken.”

    • Ingmar Vriesema