Recensie

Thuis bij de vrolijk drinkende schilder Floris Arntzenius

Museum Gouda exposeert werken van Floris Arntzenius (1864-1925). Zijn beste schilderijen van Haagse straten ontbreken, deze tentoonstelling gaat over de kunstschilder zelf en zijn familie.

Liesje schildert van Floris Arntzenius. Foto's Tom Haartsen

De Hagenaar Floris Arntzenius (1864-1925) was een minor master in de Nederlandse kunst rond 1900. Voor zover zijn werk in musea is, blijft het meestal in depot. In het Haags Historisch Museum hangt soms zijn Lucifermeisje op zaal: een schilderij dat beklijft door de goed getroffen stuurse blik en introverte houding van het zwakbegaafde meisje, dat met een mandje luciferdoosjes om haar nek op een straathoek is neergezet.

Arntzenius schilderde en aquarelleerde veel in de Haagse binnenstad, waar hij behalve de mensen op straat ook de winkelstraten zelf vastlegde – meestal van onder een paraplu gezien. Nat plaveisel onder grijze luchten. ‘De Breitner van Den Haag’, noemde een recensent hem in 1969, toen het Haags Gemeentemuseum een overzicht van zijn werk toonde.

Inderdaad heeft Arntzenius meer met de Amsterdamse dan met de Haagse School te maken. Als hij soms de binnenstad verliet om op het strand te schilderen, legde hij niet de immense ruimte of de vissersboten vast zoals Jan Hendrik Weissenbruch, maar de dames met hoeden en jurken op rieten strandstoelen die ook Isaac Israëls naar Scheveningen trokken. Museum Gouda verwierf vorig jaar zo’n strandgezicht met badgasten en wijdt nu een tentoonstelling aan Arntzenius – de eerste sinds die van 1969.

Wie er zijn beste Haagse straten verzameld hoopt te zien, komt bedrogen uit: er hangt er niet één. Het meisje met de zwavelstokjes is ook absent. Samensteller Gerard de Kleijn noemt Floris Arntzenius en zijn passies een familietentoonstelling.

Informele schilderijen

Portret van Floor (1920).

Het gros van de honderd geëxposeerde werken is door nazaten van de schilder in bruikleen gegeven en de onderwerpen zijn familiair en informeel. Er hangen bijvoorbeeld portretten van Arntzenius’ vrouw en vier dochters, en tekeningen van die kinderen lezend, tekenend, aan de piano of met speelgoed in de weer. We zien de schilder ook zelf spelen. In zelfportretten heeft hij een fez of sombrero op zijn hoofd, een revolver of een vol glas in zijn hand. Hij kijkt er stoer bij of lacht breeduit als de Vrolijke drinker van Frans Hals.

Op de bordjes naast de zelfportretten staat ‘Zelfportret Floris’ als titel. Een portret van moeder Arntzenius heet ‘Moeder van Floris’ in plaats van ‘Portret van Elisabeth Charlotte Anna Amalia Arntzenius (1839-1930), moeder van de kunstenaar’ of zoiets. Kleinigheden, natuurlijk, maar je ziet ze door de hele tentoonstelling en ze zijn tekenend voor de wat knullige presentatie en gebrekkige informatievoorziening.

Laten we proberen ons daar niet aan te ergeren. Het zelfportret als drinker is leuk, en je kijkt ook met plezier naar dochter Liesje die als klein meisje zit te schilderen met haar vaders spullen, één voetje op het schildersdoek, in elke hand een kwast. Een groot schilderij van dochter Floor als jonge tiener is een rijk, gelaagd portret: ze lijkt zowel welwillend als ongenaakbaar, zowel op haar gemak als ongeduldig. Een echte puber. Zulke schilderijen maken nieuwsgierig naar een representatiever overzicht van Arntzenius’ oeuvre.

    • Gijsbert van der Wal