‘Europees antiterreurbeleid loopt achter de feiten aan’

Nieuw onderzoek

Europese terreurpreventie schiet tekort, stelt een studie voor het Europees Parlement. En dat terwijl de dreiging toeneemt.

De ingrediënten voor terrorisme in Europa worden talrijker, terwijl het antiterreurbeleid van de EU achter de feiten aanloopt. Dat concluderen het International Centre for Counter-Terrorism (ICCT) en PricewaterhouseCoopers in een nieuwe studie voor het Europees Parlement.

Terugkerende Syriëgangers, de opkomst van nationalisme en rechts-extremisme, armoede in Zuid-Europa en spanningen met Rusland en Turkije. Ze vergroten de instabiliteit.

Veruit het grootste gevaar komt van islamitisch geïnspireerd terrorisme, maar daarnaast was er in 2011 Anders Breivik en werden vorig jaar vijf mannen veroordeeld voor een terroristische aanslag op een moskee in Enschede. Twee weken terug ontplofte bij het Internationaal Monetair Fonds in Parijs een bombrief van een linkse Griekse terreurcel, terwijl Servië bezorgd is over landgenoten die nu nog met pro-Russische opstandelingen in Oekraïne strijden.

Na iedere grote aanslag in Europa ziet terrorismedeskundige Bibi van Ginkel (ICCT) een piek in antiterreurmaatregelen van de EU. Weer een nieuw antiterrorismecentrum, weer een nieuwe database voor gegevensuitwisseling. Maar wie er precies aan de knoppen zit, is vaak onduidelijk en essentiële informatie gaat lang niet altijd de grens over. „Zonder de EU zouden we een groot probleem hebben, maar het antiterreurbeleid moet nog veel en veel beter”, zegt Van Ginkel. Wat zijn de problemen?

Dreiging

„Studies naar mogelijk toekomstige dreigingen en het daarbij behorende EU-beleid zijn er niet”, zegt Van Ginkel. Zo is er onvoldoende bekend over het risico dat vluchtelingen die recent Europa binnenkwamen gefrustreerd raken in het asielproces en vatbaar worden voor radicaal-islamitische propaganda. „Bij het ICCT willen we daar onderzoek naar doen, maar daar zijn te weinig fondsen voor.” Hetzelfde geldt voor de dreiging die uitgaat van extreem-rechtse netwerken. „Je ziet de activiteiten toenemen, je ziet dat er meer bijeenkomsten worden georganiseerd, maar we weten onvoldoende of zich dat ook in geweld kan vertalen.” Europol en het ‘EU Intelligence and Situation Centre’ maken wel dreigingsanalyses, maar komen niet tot een gezamenlijke toekomstvisie. Ook op het gebied van wapenhandel valt er veel te winnen. Alleen in Frankrijk zijn naar schatting bijna twee miljoen vuurwapens in omloop.

Leiding

„Wie verantwoordelijk is voor de strategische koers van de EU is niet op voorhand duidelijk. Zowel de Europese Commissie als de lidstaten nemen soms het initiatief”, zegt Van Ginkel. Zo heeft de Commissie sinds kort een ‘eurocommissaris voor de Veiligheidsunie’. Het is onduidelijk hoe zijn verantwoordelijkheden zich verhouden tot die van de EU-coördinator voor terrorismebestrijding die de lidstaten aanstelden. Van Ginkel: „Dit gebrek aan leiding zorgt er ook voor dat niet altijd duidelijk is wie er kan worden aangesproken op de effectiviteit van het beleid.”

Bekijk ook onze interactieve uitleg over de werkwijze van de AIVD: Zo werkt de AIVD

Grensbewaking/delen gegevens

Een goede bewaking van de EU-buitengrenzen staat of valt met informatie-uitwisseling tussen de lidstaten. Als aan de grens in Griekenland een terugkerende Nederlandse Syriëganger wordt aangehouden dan is het essentieel dat hij met gegevens van de Nederlandse autoriteiten kan worden geïdentificeerd. De EU kent het Schengen Informatie Systeem II, maar niet alle EU-landen voeren daarin voldoende informatie in. „Ook kunnen niet alle lidstaten biometrische gegevens, zoals vingerafdrukken en irisscans, uit de database halen”, zegt Van Ginkel. De onderzoekers adviseren meer te investeren in informele netwerken, omdat blijkt dat terreurbestrijders die elkaar leren kennen meer informatie gaan delen.

Wetgeving

„Het rekruteren voor terrorisme, het geven van terreurtraining en het deelnemen aan een terreurbeweging zijn in alle lidstaten strafbaar gesteld. Dat maakt grensoverschrijdende samenwerking een stuk makkelijker”, zegt Van Ginkel. Maar er zijn ook nog grote verschillen. Bij het uitwisselen van informatie stuiten terreurbestrijders vaak op wettelijke barrières. Van Ginkel: „Vanuit Nederland kan informatie van een inlichtingendienst niet zonder meer worden gedeeld met politie in het buitenland omdat bronnen moeten worden beschermd. In andere landen is de scheiding tussen politie en inlichtingendiensten soms wat minder strikt.” Een ander groot probleem voor de EU is dat alles op het gebied van terreurpreventie een nationale bevoegdheid is. De EU kan dus wel stimuleren dat discriminatie van moslimjongeren wordt aangepakt, maar blijft uiteindelijk afhankelijk van nationale initiatieven.

Lees ook dit stuk van vorig jaar over de Europese terreurbestrijding: De lekke Europese veiligheidsparaplu
    • Wilmer Heck