Waarom we ieder jaar de klok vooruit- en terugzetten

Wintertijd, zomertijd Ieder jaar worden in maart en oktober de klokken verzet: eerst vooruit, dan weer achteruit. Waarom doen we eigenlijk aan zomer- en wintertijd? Heeft het zin? Kan het niet anders? Zes vragen over wintertijd.

Foto Gijs van den Berg

1. Waarom bestaan zomer- en wintertijd?

Om te beginnen: zomertijd en wintertijd bestaan in zekere zin niet. Vooral wintertijd niet. Wintertijd is de tijd die onze klokken zouden aangeven als we ons niet het grootste deel van het jaar, van eind maart tot eind oktober, zouden houden aan wat we zomertijd noemen: de klok een uur vooruit in de lente.

Met die zomertijd zijn we in Nederland begonnen in 1977, na de oliecrisis van 1973. Het zou energie besparen (lamplicht) en de mensen ’s avonds ook meer zonverlichte vrije tijd geven, of in elk geval daglichtverlichte vrije tijd. In de jaren 70 en 80 maakten verschillende Europese landen afspraken om gelijk te lopen en nu houden alle EU-lidstaten zich aan dezelfde zomertijddata.

Zomertijd is dus een bedachte, afgesproken tijd, kun je zeggen. Maar in feite is natuurlijk al onze tijd bedachte, afgesproken tijd en geen ‘natuurlijke tijd’. Kijk eens naar een kaart waarop de verschillende tijdzones staan aangegeven: die grillige grenzen verdelen de aardbol niet bepaald in keurige mandarijnpartjes.

En de zon staat bijvoorbeeld ook nergens in Nederland om twaalf uur ’s middags op het hoogste punt. Het duurt in de winter nog ruim een half uur en in de zomer zelfs ruim anderhalf uur voordat-ie daar is. Wie nu uit puur nationalisme zin krijgt om een Nederlandse tijdzone te creëren, moet bedenken dat de zon sowieso nooit overal in Nederland om twaalf uur ’s middags op het hoogste punt kan staan. Er zit bijvoorbeeld al een kwartier verschil tussen de zonsopkomst in het uiterste westen en het uiterste oosten van Nederland.

2. Was de zomertijd niet een idee van de Duitsers?

Zomertijd werd inderdaad voor het eerst daadwerkelijk ingevoerd door de Duitse overheid. Er waren al eerder mensen op het idee gekomen, maar de eerste keer dat het werd ingevoerd was in 1916, tijdens de Eerste Wereldoorlog in Duitsland en de bezette gebieden, ook al om energie te besparen. Nederland en het Verenigd Koninkrijk volgden toen dat voorbeeld. Duitsland schafte de zomertijd na de oorlog weer af, maar Nederland hield de zomertijd vol tot 1946.

Nu hanteert ongeveer een kwart van de wereldbevolking in zo’n zeventig landen zomertijd, voornamelijk in Noord-Amerika en Europa.

3. Heeft zomertijd zin? Bespaart het inderdaad energie?

Dat is niet duidelijk. Er zijn onderzoeken die een (kleine) energiebesparing laten zien, maar een toename van energieverbruik is ook wel aangetoond. Bovendien is het menselijk energieverbruik de laatste decennia sterk veranderd. Lampen zijn energiezuiniger geworden, we rijden meer auto, hebben meer apparaten. Er is dus meer onderzoek nodig, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat zomertijd energie bespaart.

NRC checkt: ‘Energiebesparing door de zomertijd is nooit bewezen’

4. Moeten we de zomertijd dan niet gewoon afschaffen?

Er is inderdaad meer bewijs voor nadelen dan voor voordelen. Op zich is nog niet duidelijk aangetoond dat zomertijd een héél schadelijk experiment op mensen is. Maar meer en beter onderzoek (sommige studies hadden maar negen of tien proefpersonen) zou munitie kunnen geven aan de wetenschappers die nu al pleiten voor het afschaffen van zomertijd – of juist om helemaal op zomertijd over te gaan.

Wat weten we? Het lijkt erop dat het mensen een paar dagen tot zelfs enkele weken kost om te wennen aan de overgang, en dat avondmensen meer moeite hebben met de overgang naar zomertijd en ochtendmensen met de overgang naar wintertijd. Bij de ingang van de zomertijd is de nacht een uur korter, dus ‘verliezen’ we een uur slaap. Vooral bij mensen die al een slaaptekort hadden (en wie heeft dat niet tegenwoordig), kan dat erin hakken.

In de herfst hebben we in theorie een uur extra, maar dat blijken mensen vaak niet voor extra slaap te gebruiken. Vervolgens worden ze wel eerder wakker omdat de zon ‘vroeger opkomt’. Dat bleek uit een Duits onderzoek onder tienduizenden mensen: in de wintertijd leven mensen op vrije dagen meer met de zonnetijd mee dan in de zomer.

Nu is verstoorde slaap vervelend, maar heeft het ernstige gevolgen? Daar weten we nog niet heel veel van. Wat ontbreekt is bijvoorbeeld goed onderzoek naar de effecten van het verzetten van de klok op mensen met een depressie, andere stemmingsstoornissen of slaapproblemen, en op mensen met een beroep waarbij slaperigheid een gevaar is, zoals chauffeurs, chirurgen en mensen die machines bedienen.

Er zijn wel aanwijzingen dat slaapgebrek (en dat kunnen mensen krijgen na het verzetten van de klok) tot hartproblemen kan leiden. En er bestaan onderzoeken die in de week nadat de zomertijd is ingegaan, en soms ook bij de overgang terug naar wintertijd, een toename in hartinfarcten laten zien. Maar er zijn ook studies waarin geen toename te zien was, zoals de grootste studie tot nu toe: een Duits onderzoek onder ruim 25.000 mensen die tussen 1985 en 2010 een hartinfarct hadden gekregen, van wie de helft dat minstens vier weken overleefde.

Iets vergelijkbaars is het geval met verkeersongelukken: er zijn onderzoeken die een tijdelijke toename laten zien na het verzetten van de klok, er zijn er die dat niet laten zien. Een recent Nederlands onderzoek (van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid, 2013) constateerde geen overgangsproblemen, maar wel meer verkeersongelukken in de avondspits in de wintertijd dan in de zomertijd. (Aantallen worden niet genoemd; er is een ‘grafische aanpak’ gevolgd.) Die toename kwam waarschijnlijk doordat het in de avondspits in de winter donkerder is – de zon gaat dan ruwweg tussen 17.15 uur en 19.00 uur onder.

Misschien zou het schelen als we ons altijd aan de zomertijd zouden houden, aldus de SWOV. Dan wordt de ochtendspits donkerder, maar die is minder gevaarlijk. Al gebeuren er in de winter ook tijdens de ochtendspits meer ongelukken dan in de zomer. Het is nu eenmaal in de Nederlandse winters pakweg twee keer zo lang donker als licht (en in de zomer andersom). Daar moeten we sowieso mee leven.

5. Waarom is nadenken over tijd en het verzetten van de klok zo ingewikkeld?

Dat is ook iets waar we mee moeten leven, dat dat moeilijk is. Er bestaan vast mensen die direct, zonder nadenken, inzien dat we een uur korter slapen als we de klok een uur vooruit moeten zetten, dat de zon dan op de klok gezien een uur later opkomt en ondergaat en die zonder internet te raadplegen weten of ze hun vrienden aan de andere kant van de wereld nu vroeger of later moeten bellen.

Maar veel mensen hebben toch zoekmachines nodig om zich in tijden van tijdverschuivingen staande te houden. Of ezelsbruggetjes. Daar zijn er heel veel van en ze helpen niet eens echt. In het voorjaar gaat de klok vooruit. Korte broeken korter slapen, lange broeken langer slapen. Spring ahead, fall back. Wintertijd, je wint-er-tijd mee.

Hoe komt het dat het verzetten van de klok moeilijk is om over te denken? Tijd is niet tastbaar. In onze gedachten representeren we het op een ruimtelijke manier, wat het makkelijker maakt, want ruimte is wel tastbaar. We praten ook over tijd met ruimtelijke metaforen: ‘hoe lang’, ‘dit vóór dat’. Mensen in verschillende culturen doen dat trouwens op verschillende manieren. In het Nederlands ligt de toekomst voor je, in het Aymara (een Zuid-Amerikaanse taal) ligt de toekomst achter je en in het Mandarijn onder je. En in culturen waar van rechts naar links wordt geschreven, loopt de tijdlijn ook vaak van rechts naar links – ‘andersom’ dus, vinden we hier.

In ons taalgebruik doen we wel alsof tijd concreet is, en niet abstract, maar zodra je de klok verzet merk je dat dat niet zo is. Want wat is dan je vaste punt ten opzichte waarvan je iets verandert? De kloktijd? Maar die is verzet. De kloktijd van voor de verandering, van de winter dus? Dan moet je steeds heen en weer rekenen. De zonnetijd? Maar daarover praten we in kloktijd. Het is om gek van te worden.

6. Is er geen goed alternatief voor dat gedoe met die zomertijd?

Misschien. Wetenschapsschrijver James Gleick stelde onlangs in The New York Times voor niet alleen zomertijd af te schaffen, maar meteen ook alle tijdzones. Dat idee is onderdeel van een veel omvangrijker voorstel van twee Amerikanen, astronoom Richard Conn Henry en econoom Steve Hanke. Zij proberen al jaren de hele kalender zo te hervormen (met een jaar van 364 dagen met om de paar jaar een schrikkelweek) dat elke datum in elk jaar op dezelfde dag van de week valt. Eens jarig op een maandag, altijd jarig op een maandag.

Maar Gleick concentreert zich op de tijd. Er bestaat al Coordinated Universal Time (UTC), een tijd die gelijk loopt met Greenwich Mean Time, geen zomertijd kent en onder meer gebruikt wordt in het vliegverkeer en het internationaal ruimtestation. Gleick stelt voor die om te dopen tot ‘aardetijd’ (minder arrogant), en om die aardetijd voortaan overal op aarde te hanteren. Leven met de zon, met de biologische klok, en wennen aan andere cijfertjes op je wekker, horloge en telefoon op een bepaald deel van de dag dan je gewend was.

Dat zal wat mentale aanpassingen vergen, schrijft Gleick onderkoeld. In New York staat de zon dan bijvoorbeeld om vier uur ’s middags op zijn hoogst. En in Sydney gaat de zon om zeven uur ’s ochtends onder. „Maar dat kunnen de Australiërs aan”, schrijft Gleick, „want het wordt bij hen toch winter in juni”. En ja, geeft hij toe, het is oneerlijk dat alleen de Britten hun eigen tijd mogen houden, maar dat is inmiddels een gepasseerd station.

Zo’n systeem zou weleens sneller kunnen wennen dan we denken. In Nederland kennen we sowieso pas een wettelijk geregelde eenheidstijd sinds 1909, omdat dat handig was voor de spoorwegen en de telegrafie. Daarvoor verschilde de tijd van van plaats tot plaats.

Als we Gleicks voorstel volgen, moet je wel nog altijd uitrekenen of je vrienden aan de andere kant van de wereld al wakker zijn als je ze wilt bellen – dat probleem blijft. Maar je hoeft in elk geval nooit meer de klok te verzetten en je weet altijd overal op aarde hoe laat het is.

    • Ellen de Bruin