‘Verwijdering posters van Turkse president Erdogan mist juridische basis’

Stelling

Aboutaleb liet Erdogan-posters in Zuid weghalen. Raadsleden steunen de burgemeester. Juristen spreken hem tegen.

Burgemeester Aboutaleb beriep zich zondag op de openbare orde bij de verwijdering van levensgrote Erdogan-posters van een wedkantoor aan de Beijerlandselaan. Terecht? Wél volgens raadsleden Tanya Hoogwerf („Zuid is geen klein Ankara”), Sven de Langen („bizar die posters”) en Setkin Sies („provocatie”), niet volgens juristen. De stelling luidt: ‘Verwijdering posters mist juridische basis.’

Jan Brouwer, hoogleraar-directeur Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid: „Dit is echt niet toegestaan. Een burgemeester mag de vrijheid van meningsuiting inhoudelijk niet beperken onder het mom van vrees voor verstoring van de openbare orde. Dat is in strijd met de principiële basiswaarden van onze rechtsstaat, met name het verbod op censuur en die vrijheid van meningsuiting. Erdogan-posters ophangen is geen strafbaar feit en zelfs als het een strafbare uiting zou zijn dan gaat de officier van justitie daarover.”

Alaattin Erdal, oud-politicus en adviseur diversiteit & samenleving: „Je moet het optreden in een bredere context zien. Vorig jaar raakten Turkse en Koerdische betogers slaags in het stadscentrum en na de staatsgreep in Turkije werden Nederturken bedreigd. Dan is het goed dat de burgemeester problemen probeert te voorkomen. Hij moet schipperen tussen de orde handhaven en de grondwettelijke vrijheden. Als hij over het randje gaat dan moeten mensen naar de rechter stappen.”

Jelle Klaas, advocaat mensenrechtenorganisatie PILP: „Aboutaleb gebruikt steeds vaker noodverordeningen en andere als laatste redmiddel bedoelde maatregelen waardoor de vrijheid van meningsuiting wordt ingeperkt. Dat mag niet in een democratische rechtsstaat, want die vrijheid beschermt de mening van minderheden. Ik raad de postereigenaar omwille van het publieke belang aan de inbeslagname aan te vechten.”