Opinie

PvdA laat millennials verweesd achter

Op 15 maart kreeg de PvdA alsnog de rekening gepresenteerd voor de vaandelvlucht van Bram Peper en Wim Kok in 1995, schrijft . Wat dachten zij, toen ze hun ideologische veren afschudden?

Het is 1995. Het eerste kabinet-Kok, Paars I, is een jaar in functie, voor het eerst in tweeëntwintig jaar heeft de PvdA weer een premier geleverd, en Wim Kok neemt de uitnodiging aan om dat jaar de Den Uyl-lezing te houden, dé jaarlijkse toogdag voor links-intellectueel Nederland.

Thijs Niemantsverdriet beschreef het in De Vechtpartij. De PvdA van Kok tot Samsom: Koks trouwe politieke assistent Arend Hilhorst zal de lezing schrijven, maar de eerste schetsen die hij voorlegt voldoen niet. Stijfjes, wijdlopig, visieloos. Kok vraagt Bram Peper het over te nemen. Peper was een vooraanstaand PvdA-strateeg, auteur van het radicale manifest ‘Mooi Rood Is Niet Lelijk’, oud-hoogleraar sociologie en op dat moment burgemeester van Rotterdam. Hij sloot zich een paar dagen op in zijn Rotterdamse appartement, vervulde slechts de hoognodige taken van een burgemeester en schreef twaalf uur per dag aan wat een historische lezing moest worden.

Samen met Bill Clinton en Tony Blair gold Wim Kok op dat moment als een van de boegbeelden van de Derde Weg, een poging om „socialistische doelstellingen te realiseren met neo-liberale ideeën”, zoals Anthony Giddens, een van de grondleggers, het formuleerde. Weg met de linkse dogmatiek, weg met het maakbaarheidsdenken, weg met de overspannen heilsverwachtingen van de verzorgingsstaat. „Het afschudden van ideologische ballast”, schrijft Peper, „voorzover deze voortkomt uit een dialoog met het ‘zuivere’ socialisme, is voor een politieke partij als de onze een bevrijdende ervaring.”

What were they thinking?

Was het de ‘tijdgeest’ die nu eenmaal die kant op woei? Het Overton-window, het venster van de politieke voorstelbaarheid, dat door onvermoeibare neo-conservatieven gestaag naar rechts werd getrokken? Een beweging waartegen elk verzet zinloos was, op straffe van politieke marginalisatie?

Was de linkse lente van de jaren zestig eigenlijk maar een mode geweest, en wisten de marktprofeten handig te profiteren van de trendgevoeligheid van de protestgeneratie? In het geval van Peper zelf: werd hij, zoon van een eenvoudige metaalbewerker, als burgemeester van een van de grootste havensteden ter wereld, zo meegesleept door de grandeur van die wereld – waar machtige, rijke mannen ongetwijfeld voortdurend in zijn oor toeterden dat socialisme een zielige liefhebberij was voor losers en luchtfietsers – dat hij zich onwillekeurig van zijn overtuiging distantieerde?

Was het pillow talk? Peper was op dat moment getrouwd met Neelie Kroes, dochter van een Rotterdamse transportbaas, voormalig Kamerlid en minister voor de VVD, en op dat moment president van Nijenrode. Zij bewoonde een riante villa in Wassenaar. Neelie Kroes maakte naam als Kamerlid met haar vinnige, verbeten oppositie tegen het laatste ambitieuze, visionaire plan dat de PvdA voortbracht: de ‘middenschool’. Peper woont samen met een vrouw die hij tien jaar eerder nog als ‘klassenvijand’ zou hebben aangemerkt en die in alles de antithese vormt van waar hij voor staat. En terwijl hij aan de speech voor Kok werkt, schrijft zij mee. Hij zoekt een alternatief voor die ‘ballast’, en Neelie weet iets: het afschudden van ideologische veren. Veren, kip, rode haan, Partij van de Arbeid – toepasselijk, denkt Peper. Een historisch citaat is geboren.

Wat sociaal-democraten toen bezielde is een van de raadsels van de politieke geschiedenis, maar hun gedrag laat zich niet anders omschrijven dan als vaandelvlucht.

De westerse economische orde is al honderd jaar een markteconomie met vrije, ondernemingsgewijze productie, daar is in essentie niets aan veranderd. Om te veronderstellen dat de belangentegenstellingen die inherent zijn aan dat systeem, van de ene dag op de andere in het niets zouden oplossen, is niets minder dan magisch denken, maar zo ging het. De politiek besloot domweg dat die tegenstellingen niet meer bestonden.

Het socialisme en al zijn attributen, arbeid en kapitaal, onderbouw en bovenbouw, sociale emancipatie, klassenstrijd, de hele santenkraam werd verbeurd verklaard. Er had zich een magische mutatie voorgedaan waardoor al die contraire krachten ineens wegvielen en opgingen in één gestroomlijnd, harmonisch geheel!

Society? There is no such thing, zei Margaret Thatcher doodleuk. De twijfelaars konden een klap met haar handtas krijgen: There is no alternative! Het einde van de geschiedenis.

Geleidelijk veranderde het politieke vocabulaire. Arbeider werd ‘laagopgeleide’, werkloos werd ‘inactief’, inactief werd ‘parasitair’, publiek werd ‘inefficiënt’, inefficiënt werd ‘corrupt’, commercialisering werd ‘marktwerking’, laisser faire werd ‘zelfregulering’, bezuinigen werd een ‘efficiencyslag’, afbraak werd ‘modernisering’, ‘arbeid’ werd ‘werk’, inferieure werkgelegenheid werd ‘flexwerk’, sociale onvrede werd ‘slachtofferschap’, inkomenspolitiek werd ‘jaloezie’ en desocialisering werd ‘globalisering’, een soort natuurverschijnsel waar je niets tegen doet.

Rechts of links, iedereen begon deze woorden te gebruiken. Iemand als Bram Peper, binnen de partij geroemd om zijn ‘formuleerkunst’, zou erop hebben kunnen wijzen dat hier een schimmenspel gespeeld werd, maar dat deed hij niet. Waarschijnlijk hoorde hij die taal thuis in Wassenaar ook voortdurend.

Koks strategie, het vasthouden van de lagere klasse en het verbreden van de aanhang onder de middenklasse, zou nooit vruchten afwerpen. Na een verkiezingsresultaat van 45 zetels in 1998, als Kok de ‘premierbonus’ incasseert, zakt het zeteltal naar 30 in 2010. In 2012 springt het nog naar 38, maar dat is een singularity: rond de jonge nieuwkomer Samsom ontstaat een mediahype, zijn rivaal Roemer maakt fouten en de PvdA profiteert.

Veelzeggend is de catchphrase waarmee Samsom campagne voert. Zijn partij heeft geen ideologie, geen plan, geen strategie meer, en Samsom besluit van die nood een deugd te maken door dat hardop te zeggen: „Ik vertel het eerlijke verhaal.” Lees: ‘De anderen doen net alsof je de wereld kunt veranderen, maar geloof mij, ze liegen.’

Hoop, visie, linkse ideologie, het is allemaal verkruimeld. Het ‘ontwaakt verworpenen der aarde’ is vervangen door ‘tussen droom en daad staan wetten en bezwaren’. Tijdens debatten excelleert Samsom in het uit zijn hoofd opdreunen van CPB-percentages en dekkingsposten. Als Emile Roemer een cijfer niet paraat heeft, vaart Samsom tegen hem uit als een accountant from hell. De PvdA is gereduceerd tot een partij die eigenlijk alleen nog zegt: ‘Wij zijn de PvdA, u weet wel, van die rode roos. Wij hebben geen ideeën meer, maar wij zijn fatsoenlijke lui die goed kunnen rekenen, dus geef de macht maar aan ons.’

De zetelscore van links bij deze verkiezingen, 14 voor de SP, 14 voor GroenLinks en 9 voor de PvdA, zou kunnen suggereren dat er bij de kiezer inderdaad geen animo meer is voor een scherpe linkse agenda, zoals in veel analyses wordt gesteld. Ik geloof er niets van. In 2006 haalde de SP maar liefst 25 zetels, terwijl de PvdA zich numeriek redelijk handhaafde. Wat de ware verhoudingen maskeert, is de versoaping van de politiek. In de vijftien jaar sinds Pim Fortuyn is de politiek steeds meer een soap opera geworden, een entertainmentgenre.

Dat genre stelt zijn eigen eisen, en de aanpassing aan deze nieuwe realiteit kost links meer moeite dan rechts. Berlusconi, Fortuyn, Wilders, zij begrepen het meteen en pasten zich feilloos aan. Bij de VVD was het nog even zoeken, tot Mark Rutte verscheen, ook een geboren tv-politicus. Vrijwel geen ideeën, maar de perfect gecaste leading man. Eigenlijk blinkt hij maar uit in één ding, maar dat is precies waar het in de politieke realityshow op aankomt: suspension of disbelief. Het is ook precies het geheim van Donald Trump. Zulke politici worden vaak met teflon vergeleken, maar teflon kan nog kapot, in het geval van Rutte (en Trump) hebben we te maken met een keramische laag.

De spectaculaire ‘ontdekking’ van Samsom flatteerde het PvdA-resultaat van 2012. Een charismatische lijsttrekker zou dat effect nu weer hebben kunnen sorteren (minus de malus voor vier jaar regeren), maar Lodewijk Asscher blijkt niet over de X-factor te beschikken, zodat de ware goodwill van de PvdA genadeloos aan het licht trad: negen zetels.

Bij de SP zie je in zekere zin het omgekeerde: sinds het vertrek van Jan Marijnissen is men er niet in geslaagd een leider te produceren die deze tak van sport op dit niveau beheerst, met een drukkend effect op de score. Scoorde links zo laag omdat er geen behoefte is aan een linkse agenda, of doordat twee van de drie linkse lijsttrekkers suboptimaal presteerden? Het is creatief boekhouden, maar als je ‘Marijnissen 2006’ optelt bij ‘Samsom 2012’ en ‘Klaver 2017’, in een scenario waarbij alle potentieel links stemmende kiezers tot de laatste man aan boord worden getrokken, inclusief de spijtoptanten die hun heil elders zochten, kom je uit op 25+38+14= 77 zetels. De implosie van de PvdA illustreert niet dat er geen animo voor links is, maar dat er geen animo is voor niksigheid. Dat is wat er op 15 maart gebeurde: na enig uitstel kreeg de PvdA alsnog de rekening gepresenteerd voor die monumentale wanprestatie van Bram Peper en Wim Kok in 1995. Voor vaandelvlucht.

De core business van de sociaal-democratie is bestaanszekerheid. Werkgelegenheid, arbeidsrechten. Sociale economie. Verdelingsvraagstukken. Met de verpanding van die agenda bleef er weinig over. Gelijkheid was off limits, wat overbleef waren vrijheid en broederschap. Culturele kwesties. Terwijl de sociale erosie sluipend voorging, probeerde de PvdA vooral daarmee zijn relevantie te behouden. Waarmee het Nieuw Rechts riant in de kaart speelde.

Integratie is emancipatie, economische ontplooiing is een voorwaarde voor succesvolle inburgering. Mensen die iets te verliezen hebben passen zich aan, mensen die constructief meedoen wekken geen irritatie, terwijl mensen die zich buitengesloten voelen boos, opstandig en destructief worden. Bertolt Brecht zei het, maar veel politici van vandaag zijn het vergeten: eerst komt het eten, dan de moraal. Economische ontplooiing is geen garantie tegen culturele botsingen, maar economische verwaarlozing is wel een garantie voor ongenoegen. Aan de kant van de nieuwkomers, die zich buitengesloten en gediscrimineerd voelen en bij de oudkomers, die verongelijkt zijn en een zondebok zoeken.

Economische verbetering zit er niet in, de lonen kunnen niet omhoog maar de huren wel, vaste banen zijn te duur en ‘uit de tijd’, voorzieningen worden afgebouwd of duurder gemaakt, want er moet bezuinigd worden vanwege het begrotingstekort. Van ‘Brussel’. Nee, daar valt niet over te praten, maar misschien heeft u nog culturele grieven of wensen? Iets met identiteit? Het is de verdienste van de SP dat zij zich hier altijd tegen verzet heeft, en de blamage van de PvdA dat zij er zo in mee is gegaan. Van Paul Scheffer, met zijn fnuikende culturalistische analyse van het immigratievraagstuk, tot Lodewijk Asscher anno nu, met zijn ‘progressief patriottisme’. Come on! Wie hou je voor de gek?

Dat uitgerekend Asscher deze historische, en mogelijk fatale nederlaag mag incasseren, is navrant, ik kan PvdA’ers bedenken die er meer voor in aanmerking komen, zoals de reddeloos verrechtste Jeroen Dijsselbloem. Tenslotte heeft Asscher als minister zijn best gedaan nog iets van een sociaal beleid te voeren, met maatregelen tegen schijnconstructies, het terugdringen van flexibilisering en afschaffing van het jeugdloon boven 21 jaar.

Dat laatste was het werk van Young & United, een initiatief van de FNV (disclosure: ik was daar als adviseur bij betrokken). In een paar maanden tijd werden tweehonderdduizend handtekeningen opgehaald, honderden activisten op de been gebracht, overal in het land succesvolle acties gevoerd, de media-aandacht was enorm en een jaar later zette Asscher zijn handtekening onder een nieuwe wet. Tienduizenden jongeren gaan vanaf hun 21e een normaal loon verdienen. Menigeen was verbaasd: jongeren? Politieke actie? De vákbond? Anno 2016?

Ja, net zoals het succes van Jesse Klaver bij deze verkiezingen, dat voor een belangrijk deel aan jonge kiezers te danken is. Dáár gaat links de komende jaren zijn nieuwe bestaansrecht bewijzen: onder jongeren. In Amerika mobiliseren zij zich rond een krasse knar genaamd Sanders, in Nederland rond een charmante dertiger genaamd Klaver.

Want het zijn de jongeren die de prijs voor de vaandelvlucht van de sociaal-democratie betalen.

Met opgebouwde rechten, gerieflijke hypotheken en een solide pensioen zijn hun ouders de neoliberale dans grotendeels ontsprongen, maar hun kinderen, de millennials, krijgen hem full force voor de kiezen. Het neoliberalisme heeft zijn eigen nieuwe downtrodden masses gecreëerd. Dankzij de globalisering steken zij tiptop in de kleertjes, zij zitten in coole workspaces met een latte achter de laptop, zij zijn opgevoed met eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid, dus zij klagen niet gauw, maar zij begrijpen niet waarom zij van baantje naar baantje moeten leven, geen hypotheek kunnen krijgen maar ook geen betaalbaar huurhuis, en geen pensioen opbouwen, terwijl sparen er eigenlijk ook niet in zit. En waarom we ondertussen onze planeet opstoken.

Nee, Bram, en Wim, en Job, en Wouter, er is inderdaad geen proletariaat meer. Het heet nu ‘precariaat’ en het heeft exact dezelfde problemen: geen bestaanszekerheid, geen vooruitzichten, geen geld, geen respect. Een precair bestaan. En inmiddels behoort bijna iedereen ertoe die voor het eerst de arbeidsmarkt betreedt. Dankzij dertig jaar neoliberale verelendung zitten zij allemaal in hetzelfde schuitje, man of vrouw, hoog- of laagopgeleid, arbeider of student, wit, zwart of geel. Met Zwarte Piet, paaseieren en het Wilhelmus zijn ze niet zo bezig. They have bigger fish to fry. En voor je het weet heb je een stadion vol.

Bram Peper is inmiddels een mastodont die zich in de media bekreunt over de teloorgang van de sociaaldemocratie (notabene!) en moppert over de vermeende fouten van zijn opvolgers. Recentelijk ook weer, natuurlijk, over de deplorabele verkiezingsuitslag en het mes dat Asscher in de rug van Samsom zou hebben gestoken. ‘Broedermoord’ noemt hij het. Geen woord, natuurlijk, over het mes dat hij zelf tweeëntwintig jaar geleden in de PvdA-kip zette. Broedermoord? Moedermoord, heer Peper.